Spanje en een beetje Portugal

Dag 1: Gent -> Rauzan – 919 km

Naar het zuiden. Je kent dat. Belgen met een dakkoffer vol badmintonsets. Nederlanders met een halve kar Albert Heijn aan hun trekhaak. Alleen de Fransen gebruiken de afritten. Dit is dwars door Frankrijk op een zaterdag in de zomer.

De rit ging tot Bordeaux op de péage. Daarna cruisen op landelijke wegen via het Chateau de la Rivière langs Saint-Emilion, om te kamperen in Rauzan.

Het zal puur toeval geweest zijn dat er net op dat moment in Saint-Emilion een jazz-festival aan de gang was, daarnaast nog wat folklorefestiviteiten in het dorp, een huwelijksplechtigheid in de kerk en er drie bussen Japanners werden gelost. Daarmee is Saint-Emilion misschien nog iets pittoresker op een dinsdagmorgen in juni dan op een zaterdagnamiddag in juli.

Dag 2: Rauzan -> Santander, tot Bayonne landelijke wegen, daarna de autostrade – 499 km

Vanuit Rauzan werd het een heerlijke rit door de wijnstreek.

Met de zon pal in het oosten, het doel – Fisterre – compleet in het westen, hoefde ik alleen maar mijn eigen schaduw te volgen. Dat was het echte begin van reis. Bij het kijken naar mijn schaduw herinnerde ik me de eerste les aardrijkskunde in het tweede leerjaar, bij juffrouw Sonja. Ik zat op de tweede rij, helemaal links in de klas. We leerden toen over de windstreken en hoe je kon oriënteren op de zon. Is het niet mooi hoe je via de geheugenbanen in één flits zovele jaren doorheen de tijd kunt reizen? Wat is reizen anders dan oude herinneringen oprakelen, nieuwe creëren, met tussenin wat mooie nu-momenten? Tot Bayonne zat ik in dat nu-moment, omringd door meer druiven dan sterren in het heelal.

Een honderddertig kilometer voor Santander, net voor Bilbao, leerde ik in een korte babbel Ludgard uut Ostende kennen.  Hij reed met een KTM 990 Adventure en zat er wat door. Hij wou rusten op de autostradeparking en zou in Santader kamperen. Wie weet, kwamen we elkaar daar terug tegen.

In Santander reed ik tot het schiereiland van het Palacio de la Magdalena. Dit was oorspronkelijk het buitenverblijf van koning Alfonso XIII, nu gebruikt door de universiteit van Santander. Velen zullen het gebouw eerder kennen van de Netflix-reeks El Gran Hotel, van het verhaal tussen Alicia en Julio, van Andrés en Belén. Dit was ook mijn insteek om het te gaan bekijken.

Inderdaad, op El Cabo Mayor – de dichtste camping bij de stad – was Ludgard net aangekomen, quasi tegelijkertijd met Patrick aus Bayern. Patrick keerde terug van een reis door Marokko. Ludgard was net als mij de dag ervoor vertrokken. Hij wou de zevenentwintigste in de Pyreneeën zijn om de Tour de France te zien passeren. Ludgard had geen smartphone, geen gps en was bij nader inzien ook zijn landkaart vergeten.

Buiten zijn spontane oriëntatie in ruimte, had hij ook een specifieke oriëntatie in tijd. Eén van zijn aluminium koffers zat vol eten, en naarmate die leger raakte, gaf dit min of meer de timing aan om terug naar huis te gaan. De voorlaatste pudding zou hij wellicht uitlepelen in Lourdes. In de nog lange afwachting daarvan had Ludgard zich geïnstalleerd in zijn luchtvangzakzetel, waarmee hij de tijd kon stilzetten.

Patrick  vertelde over zijn making of van de Yamaha Ténéré. Dat was knap gedaan, om van een geaccidenteerde motor via het ontmantelde frame alles opnieuw op te bouwen, aangepast voor een reis door Marokko en de woestijn. Zowel Ludgard als ik waren onder de indruk.

’t Is verdomme a nice bike, joen moto,’ zei Ludgard, ‘we should wisselen.’

Over de Transalp viel er weinig te zeggen. Er werd ook niet echt naar gekeken, terwijl de KTM van Ludgard met zijn twee tanks toch ook wel iets speciaals had. Nu, eigenlijk droomde Ludgard nog het meest van alles van een Goldwing.

With a Goldwing we can ride to Tomorrowland now. I can drive and you can sit in the back and sleep. Then we can wisselen. So, we don’t lose time,’ probeerde hij Patrick te overtuigen, die vond dat je dan beter een auto kocht.

Patrick wist het eigengekweekt Engels van Ludgard steeds feilloos zu übersetzen. Zo passeerden we de avond met verhalen, anekdotes, veel humor en blikjes Mahou.

Bij het donker worden, merkte Ludgard dat hij zijn tent onder een straatlantaarn had geparkeerd. Als hij wou, kon hij zonder zaklamp best nog een beetje lezen … de hele nacht door.

Kortom, es war einen schönen Abend.       

Dag 3: Santander -> Riano, om en rond de Picos de Europa – 357 km

Ik nam afscheid van Ludgard en vroeg hem de groeten te doen aan Patrick. De Duitser lag nog te knorren. We zouden alle drie andere richtingen uitgaan: Ludgard naar Madrid, Patrick naar San Sebastian en ik naar de Picos de Europa.

Via de toeristische trekpleister Santillana del Mar wou ik nog voor het begin van de Picos de Europa naar het zuiden gaan, zodat ik langs het zuiden zou kunnen starten om mooi rond de bergregio te rijden.

In Comillas ving ik een glimp op van één van de huizen ontworpen door Gaudí. Volgens de Trotter heeft de renovatie de geest van Gaudí volledig uit het huis gejaagd. Ze raadden zelfs af om het te bezoeken, wat ik dan ook niet deed.

Zelfs, een baancafé zou authentieker zijn. Zo koos ik er willekeurig één voor een koffie. De luide waardes van het café, de man die aan de perzik van zijn menú del día toegekomen was en een gemeentewerker die nog een extra cerveza vroeg. Daar kon je een heel feuilleton op draaien. Ik hou van die kleine verhalen, van dat authentieke Spanje.

Potes – in de Picos de Europa – was toeristisch druk. Hoewel ik me had voorgenomen om te kamperen nabij de Fuente Dé, heb ik er enkel wat tussen de schapen gelopen. Ook daar was het een enorme toeloop van bezoekers, wat me deed besluiten om verder te rijden.

Op de Puerto de San Glorio – weg van alle drukte – kreeg ik van lokale boer toegang tot een schitterend panoramisch zicht.

Uiteindelijk kwam ik terecht op een kleine camping in Riano, waar even later ook drie Engelsen op een motor toekwamen.

You ride alone, but you never walk alone.

Eén van de Engelsen from Manchester reed op een Transalp 650 van een jaar ouder, wat voor een spontane vriendschap zorgde. Tal van tips heeft ie me meegeven voor het onderhoud en bovenal wat je beter niet doet. Met enige spijt ben ik vergeten zijn naam te vragen, hem tot Facebookvriend te maken, al was het alleen maar omdat hij quasi een wandelende Transalp-encyclopedie was, en uiteraard ook uit sympathie voor de mens zelf.

Dag 4: Riano -> A Coruña – 491 km

In de vroege morgen ontmoette ik een Spanjaard in het sanitair blok van de camping, die me duidelijk maakte dat er geen water was. Dat is wel een verschil tussen ons en de Spanjaarden. Wij laten eerst iemand ervaren dat er geen water is door die persoon aan de kraan te laten draaien en beginnen dan met een uitleg. Spanjaarden leggen eerst alles uit en demonstreren het dan nogmaals door de kraan open te draaien waar dan effectief geen water uitloopt. Het hele dorp – dat  aan een meer lag dat nog tien keer groter was dan het dorp zelf – zat droog. De buffer van zo’n drieduizend liter op de camping zat er ook al door. Ik moest het stellen met een douche van Spaanse woorden, zonder agua uit te kraan. Maar, ik wist tenminste waarom.

Hiervoor ben ik mijn Russische lerares Spaans wel heel erg dankbaar, dat ze me in twee jaar tijd op een matig tempo zoveel werk- en vrijetijdswoorden heeft bijgebracht.

De Engelsen zouden die dag naar Vigo gaan, om daarna via Porto de N222 te rijden. Naar ze mij vertelden was dit the best motorcycle way in the world. Ze nodigden mij uit met hen mee te rijden, wat heel mijn Galicië-plan van de kaart zou vegen. Ik bedankte hen vriendelijk.

Ik twijfelde om verder rond de Picos te rijden of Asturië in te gaan, om de rest van de Picos in het terugkeren mee te nemen. Covadonga was naar het schijnt de moeite.

Vlot reed ik nog een eindje Picos en eens over de bergkam richting Oviedo begon het licht te regenen. De wegen waren prachtig, maar hoe verder ik kwam, hoe drukker de lucht werd. Op de hoogtes reed ik in de wolken, dus in de mist. Het decor mocht dan nog zo mooi zijn, met een zicht van slechts twintig meter had je er niets aan. Ik ging ervan uit dat er geen mist zou zijn aan de kust. Zo belandde ik via de snellere wegen veel vlugger dan verwacht in Galicië.

Bij het binnenrijden van Galicië  – het regende niet door, maar dreigde daar wel mee – nam ik eerst de Catedrales. De Catedrales zijn door erosie gevormde bogen in de rotsen aan de zee. Het was vloed. Je kon niets meer zien dan wat rotsen en de beruchte bogen zouden pas een zestal uur later tevoorschijn komen. Wachten om iets te zien dat ik al op foto had gezien, om er zelf een foto van te maken, is nu niet echt mijn ding.

Via Viveiro ging het helemaal mis. Voor de stad Viveiro sloeg ik een baantje in naar Vieiro, de ontbrekende ‘v’ niet opgemerkt. Ik kwam uit op een smal pad, verlaten van iedereen. De weg was een fifty fifty van asfalt en putten, met op het midden een gladde strook mos. Een gps ware nu handig geweest. Op de kaart was geen enkel dorp terug te vinden dat op de wegwijzers stond. Op de gsm was het moeilijk uit te maken welke weg naar een uitgang leidden en welk niet. Soms liep het dood in een dorp. Finaal, na dertig kilometer van stapvoets rijden belandde ik als een eenzame Don Quichot in een windmolenpark, waar het niet anders kon dan dat er bredere banen waren, al was het maar voor het uitzonderlijk vervoer van de wieken van die windmolens.

Galicië viel tegen. Ik liet de noordelijkste kust voor wat ze was en reed meteen naar Ferrol – de geboortestad van Franco – waar ik door vele kilometers lintbebouwing fietste. Fabrieken, winkels en lelijke gebouwen. Dat was het, meer niet.

De camping in de nabijheid van A Coruña leek op een zigeunernederzetting.

Een zatte Pool met lang haar en een haarband, die al jaren in Engeland woonde maar toch nog een Poolse vlag over zijn caravan had gespannen, kwam naar de motor kijken. Zijn vrouw bleef mooi buiten de perimeter van zijn alcoholwalm. Hij bleef vooral doordrammen over de middeleeuwse feesten, die op dit moment gaande waren in de stad. Ik mocht die absoluut niet missen. Dat kwam er ook nog bij.

Maar, de hemel klaarde op en de douche deed wonderen.

Dag 5: A Coruña -> Santiago de Compostella – 308 km

Ik verliet de camping toen iedereen nog sliep – zeker nog de Pool -, richting A Coruña. Het was opvallend rustig in de stad. Geen verkeer, geen drukte, en dit voor een dag in de week in de op één na grootste stad van Galicië.

Ik volgde een bus naar de binnenstad.

¡Amigo, amigo!,’ riep mij iemand. Het was een jongeman die zijn twee pekinezen aan het uitlaten was. Was hij niet met zijn honden aan het wandelen, dan zat hij op zijn Ducati. Hij legde me uit dat ik op de camera stond, omdat ik achter de bus doorgereden was tot in de voetgangerszone. Hij hielp me er terug uit, zonder wederom langs te camera te passeren.

Benieuwd of de Galiciërs GAS-boetes doorsturen naar België en hoe ze dan omgaan met een Nederlandstalig bezwaarschrift.

A Coruña is de stad waar de veranda is uitgevonden. De appartementen hebben quasi allemaal een uitsprong met daarop een vensterconstructie.

Er was niet enkel de kalmte van het verkeer. De grootwarenhuizen waren ook allemaal dicht. Zo bleek dat dit de dag was waarop de apostel Jacobus – die volgens de legende begraven ligt in Santiago de Compostella – gevierd werd. Jacobus vertalen de Spanjaarden naar Santiago.

Ik reed door naar Fisterre en trakteerde er mezelf op een pulpo in bar Miramar, na alle miserie van de dag ervoor. Bar Miramar is vlak naast de toeristische terrassen met veel garnituur, de simpele plaats waar de Galiciërs zelf gaan eten. Dit was het Galicië waar ik voor kwam, authentiek met haar eigen specialiteiten. Dat was eigenlijk het enige concrete plan van deze hele reis dat ik had om zeker eens te doen in Galicië: een inktvis eten.

Vol inktvis trok ik naar de het einde van de wereld. Hier in Fisterre dacht men – de Romeinen toch – dat de wereld stopte, op dit meest westelijke puntje van Spanje.

Hier ook verbrandden pelgrims, die van geen ophouden wisten en na Santiago nog verder waren gewandeld, hun schoenen. Symbolisch konden ze op die manier hun verleden als voetsporen achter zich laten. Dat is intussen verboden, omdat zo’n pelgrim op zo’n moment zodanig uitbundig kan zijn dat hij de hele vegetatie in de fik steekt.

Waar in A Coruña de veranda uitgevonden werd, werd van hieruit – niet helemaal exact en toch weer wel – de voetbaltafel uitgevonden. Eén van de vroegere vuurtorenwachters van Fisterre had tien zonen. Eén daarvan was Alexandre Campos Ramírez, die verwond werd door één van de bombardementen op Madrid (1936) van zijn provinciegenoot Franco. Toen hij tijdens zijn revalidatie in het hospitaal zag hoe graag de kinderen wouden voetballen en daar niet voldoende mobiel voor waren, kwam hij op het idee een soort voetbal uit te vinden zoals je tafeltennis had. Met een Baskische timmerman maakte hij de eerste voetbaltafel.

Mocht je dit lezen, Ludgard; ’t was de moeite. Hèlemolle up ’t ende van de weireld stoan d’r drie diengen: e kruus, e viertorre en e Goldwing.

In de volle zon reed ik via Muros naar Santiago de Compostella.

Wat was dat voor een drukte? Santiago leek net op Venetië in augustus. Ik drumde me een weg naar het plein van de kathedraal. De grap was dat de poort van die kerk dicht was. De foto verduidelijkt het drama wat beter.

Stel je even voor dat je hier aankomt als pelgrim na weken of maanden stappen. Je verbanddoos is leeg aan voetverzorging. Meer dan tweehonderd keer heb je weerstaan aan de onreine gedachte om een stukje autostop te doen. Dan sta je hier voor een gesloten deur. Dit was dan nog uitgerekend op de dag van de apostel zelf. Straf!

Er waren natuurlijk wel de pijlen die wezen naar het bureau waar je als pelgrim op specifieke uren je schriftje kon laten afstempelen en je brevet in ontvangst mocht nemen van minstens honderd kilometer wandelen. Je stond er dus niet helemaal voor niets. Om het hoekje kon je dan nog een faience-tegel met een schelp erop kopen, die je in je wc of je badkamer kunt inmetsen. Of, een t-shirt van Messi in de kleuren van Barcelona

Nu, als je dan om het hoekje ging, zag je ook wel dat je de kathedraal kon betreden langs de zijkant. Langs die ingang passeer je door een eerste en langs de uitgang door een tweede souvenirwinkel. Daarmee is Jacobus de Meerdere (er is ook een Jacobus de Mindere, die niet tot de club van de twaalf behoorde en de broer van Jezus zou zijn, maar in de geschiedenis als ‘neef’ werd beschouwd omdat Maria maagd moest blijven) wellicht de meest rendabele apostel van allemaal. De grote poort openzetten, zou alleen maar voor minder passage door de souvenirwinkel zorgen en een verlies aan inkomsten betekenen.

De combinatie van de apostel met een zwaard leek mij allesbehalve katholiek, maar niemand leek zich daaraan te storen of daar echt bij stil te staan. Er stond zelfs een lange file om de gewapende apostel te gaan knuffelen in de kelder. Ik vermoed dat dit ging om het aanraken van een beeld of een steen.

Dag 6: Santiago de Compostella -> Baiona – 270 km

Vanuit Santiago volgde ik de kust langs de schiereilandjes. Het stuk van O’grave was niet de moeite. De groene wegen op de Michelin zijn er waarschijnlijk vanuit een bureaustoel op getekend of dateren nog van de jaren vijftig. Er was opnieuw veel lintbebouwing en de wegen reden niet vlot.

Het tweede schiereiland met Cangas op de kaart was daarin beter en veel mooier. Op het einde had je een ook zicht op de Cies-eilanden, die naar verluid het mooiste strand hebben van Europa. Het aantal bezoekers van die eilanden is beperkt en daarom is het noodzakelijk vooraf een ferry te reserveren. Ik wou me niet vastklikken op een vast schema met een reservatie, lang op voorhand. Daarom bezocht ik ze niet.

Om de foto te nemen van de Cies-eilanden reed ik zo diep mogelijk, liet de motor staan, ging door de bossen, door de duinen en kwam uiteindelijk uit op een strand, een naaktstrand. Het contrast tussen mij in motorjas, met kniebescherming, de helm, …  en de badgasten kon moeilijk nog groter zijn. Ieder deed zijn ding. Ik nam wat foto’s, … van de eilanden.

Het vervolg ging in een boog rond Vigo, met een camping pal aan de oceaan tussen Baiona en A Guarda.

Een jobstudente hield er zowel de receptie als de mini-market open. Hij was echt wel mini, die winkel. Ik kocht er de laatste fles rode wijn en wat pasta om die avond voor de tent te dineren met zicht op de zonsondergang over zee.

Goed en wel geïnstalleerd, trok ik de kurk eruit en nam bij wijze van aperitief een eerste glas. De wijn was werkelijk niet te zuipen.

Omdat het toch een prijzig beestje was, die fles, trok ik terug naar de jobstudente en legde haar uit dat de wijn slecht was. Al vlug bleek dit buiten haar bevoegdheid te liggen, waarop ze de campinguitbater uit zijn hok haalde.

Van de man die verscheen, zijn er een hele reeks gemaakt. Ze hebben een ringbaardje, een buikje en dragen een hemd of een polo op een bermuda en altijd een bril. Hij had er één met bifocale glazen die verkleuren in de zon. Sommige dragen twee brillen – één voor ver, één voor dicht – met een koordje om hun nek. Veel van die types komen in het onderwijs terecht, andere schoppen het tot professor en nog andere worden rij-examinator. Deze was nu per toeval campinguitbater geworden, of deed dit als bijverdienste in de zomervakantie.

Met een kleine uitleg van de jobstudente over de situatie begon die man een heel exposé over de typische smaak van de Rioja-wijnen, waar ik geen snars van begreep. Je moet namelijk weten dat we nog geen Spaanse les hebben gehad over de wijn. Alléén Logroño – de hoofdstad van Rioja – verstond ik. Uit wat ik non-verbaal kon uitmaken, had ik een fles die nog net binnen het Rioja-gebied lag, maar op geen honderd jaar te vergelijken was met elke andere wijn die ik ooit in mijn leven al had gedronken. Als ik tegenwierp dat de wijn ook nublado [troebel] was, bleek dit zelfs een heel typisch kenmerk van deze specifieke wijn te zijn.

Uiteindelijk kon ik niet anders dan hem uit te nodigen om zelf te proeven, want alles wat ik opwierp leek wel eigen aan die wijn  te zijn. Meneer had helaas geen glas en keek hopeloos streng naar de jobstudente, die blijkbaar ook geen bevoegdheid had haar receptie te verlaten om een glas te halen.

Ik herhaalde de vraag om te proeven. Hij keek nog eens spiritueel naar het etiket van de fles door het juiste gedeelte van zijn bril. Alsof ik die fles ooit nog zou terugnemen, vroeg hij of het gepermitteerd was om van de fles te drinken. Ik knikte een ga-je-gang en hij nam een teug. Eens de fles terug van zijn mond, namen zijn lippen reflexmatig de vorm aan van het Spaanse leestekentje op de n van Logroño. Hij was inderdaad slecht, die wijn. De Rioja-professor vroeg de jobstudente een andere fles te halen, die er niet bleek te zijn. Ik kreeg de euro’s terug en nog een veel langere uitleg over de uitzondering op de uitzondering dat een Rioja slecht zou kunnen worden – uitgerekend in zijn winkel – en dat je eigenlijk niet aan Rioja moet beginnen als je er geen verstand van hebt. Daar kwam het op neer.

De zonsondergang was mooi.

Dag 7: Baiona -> Medas – 227 km

Ik stond voor het dilemma verder Galicië af te reizen en Las Medulas – de oude goudmijnen – te bezoeken, of zoals de Engelsen de N222 te gaan rijden. Om die keuze nog even niet te maken, plande ik een bezoek van de replica van de Pinta, één van de drie schepen uit de vloot van Christoffel Columbus in zijn ontdekking van Amerika.

Bij het verlaten van de camping waren er drie werkmannen bezig met het reclamebord op het gebouw. Bezig was veel gezegd, want ze waren vooral aandachtig aan het luisteren naar de speech van de campinguitbater. Hij ging maar door, en ik ook.

Die fameuze Pinta doet ogen opentrekken over de omstandigheden waarmee ze in die tijd over de oceaan trokken. Zo had het schip geen roer, maar werd bestuurd via een helmstok, waarbij de stuurman onder een afdak stond en nooit de golven en de stand van de zeilen zag. Met twintig voeren ze op zo’n boot, die een lengte had van eenentwintig meter. Fenomenaal!

Toen ik net uit Baiona wou vertrekken, kwam ik drie Portugezen tegen, waarvan twee met een Transalp. Ze hielpen me uit mijn dilemma. Ze konden me niet garanderen dat de N222 de beste motorroute van de wereld was, maar ze hadden hem zelf al enkele keren gedaan en waren los van enig chauvinisme overtuigd dat ik het heel mooi zou vinden.

Ik passeerde op mijn weg naar A Guarda – een heel mooie route langs de oceaan – nog even langs de camping. De werkmannen waren het afgebold.

Portugal binnen langs de kleine kustwegen was niet zo fameus. De Portugezen reden slordig, sneden elkaar de pas af en maakten in al hun nervositeit minder snelheid dan de Spanjaarden. Ook hier, lintbebouwing en weinig landschap.

In Porto kwam ik de stad binnen en lukte het mij in het begin maar niet om het historisch centrum te vinden. Het centrum leek overal en nergens. Een gps was hier van pas gekomen, maar zo’n rode dubbelhoge toeristische rondritbus volgen, hielp ook om in het oude gedeelte te komen.

Na een ruime wandeling in de oude kern liet ik Porto voor wat het was. Ik zocht een camping aan het begin van de veelbelovende N222.

In Medas stond ik aan de receptie naast een gepensioneerde Nederlander, die al een maand alle campings bezocht tussen Lissabon en Porto voor de beoordeling in de ACSI-kampeergids. Hij vond de Medas-camping voldoen aan alle verwachtingen, wat me enigszins geruststelde na het lezen van enkele negatieve reviews. De kampeerplaats zelf was de grappigste die ik ooit meemaakte: overdekt voor de regen die er niet was en je had een klopboormachine nodig om piketten in de grond te pluggen, die dan ook weer niet nodig waren, gezien er geen zuchtje wind was.

Je sliep natuurlijk wel aan de Douro.

Dag 8: Medas -> Jerte – 483 km

Fijne rit, die N222 langs de Douro. Vooral vanaf Régua landinwaarts was het ongezien. Niet dat het zo fenomenaal is voor motorrijders, maar het landschap met de vele druivenplantages voor het maken van de Porto is enorm mooi. Onder andere Sandeman is op die Porto-route gevestigd.

Het leek erop dat die dag ook één of andere heilige werd gevierd. Er was geen kat te zien, maar iedere Portugees op deze weg bleek wel een hond te hebben. Ik werd de hele tijd afgeblaft en toch was het nog nooit zo rustig.

Nu ik zover gekomen was, leek het logisch om Salamanca op te nemen in de reis, maar ik voelde me nog meer aangetrokken tot Yuste, tot het klooster waar Keizer Karel zijn laatste jaren doorbracht. Dus, ging ik terug naar Spanje, verder landinwaarts. De Medulas, het vervolg van de Picos, … het zou voor een andere keer zijn.

Ik kon er soms een uur rijden met amper drie tegenliggers.  Wat bijzonder opviel, was de overgang tussen de provincies. Waren het in Castilla y Léon nog rechte banen, vanaf Extremadura niets dan bochten, alsof men het geld er niet had om rechte lijnen door het landschap te trekken. O zo heerlijk voor een motorrijder!

Ik vond een camping – de eerste, de beste – in de Jerte-vallei. Hier stonden alleen wagens met Spaanse nummerplaten. De weg er naartoe was gevuld met tal van stalletjes die kilo’s kersen verkochten voor een euro.

Dit was wellicht mijn langste motorrit ooit met alléén maar mooie banen en schitterende landschappen.

Dag 9: Jerte -> Toledo – 289 km

Zoals gepland, bezocht ik het klooster van Yuste. Toen Keizer Karel (geboren in Gent op 24 februari 1500) in 1555 zijn regering overliet aan zijn kinderen, trok hij – zoals nu ook veel gepensioneerden – naar Spanje.

Zijn verblijf aan de voorkant van het klooster was een mooi appartement, minimalistisch en heel functioneel. Vanuit zijn bed had hij zicht op het altaar van de kerk. Op die manier kon hij alle missen bijwonen in zijn pyjama. Achteraf gezien, is Keizer Karel de uitvinder van de service-flat.

Hij sukkelde wat met zijn gezondheid en stierf in 1558 aan malaria.

Al bestond zijn loopbaan hoofdzakelijk uit het voeren van oorlogen – in de eerste plaats ter verdediging van zijn rijk – het succes van zijn macht kwam voornamelijk voort uit strategisch bepaalde, gearrangeerde en uitgekiende huwelijken binnen zijn familie. Hij kon terugblikken op een rijk dat groter was dan dat van de Romeinen, omdat nu ook de pas ontdekte overzeese gebieden erbij hoorden.

Van Yuste naar Toledo kwam ik voor de eerste maal terecht in het landschap dat ik me had voorgesteld bij het binnenland van Spanje: dor en desolaat. De verzengende hitte was ondraaglijk.

Bij achtendertig – misschien meer – graden bezocht ik de oude kern van het ommuurde Toledo.

Toledo straalde in warmte en historie. Bij mijn bezoek aan de kathedraal – met haar aangename kilte – werd er net een mis opgedragen.

De pastoor had het over het verdelen van de broden en de vissen door Jezus. Hij sprak duidelijk gearticuleerd en langzaam Spaans. Ik kon volgen. Ik bleef geboeid zitten luisteren, omdat hij het anders vertelde dan ik het vroeger had gehoord. Op geen enkel moment had hij het over multiplicar los panes, steeds over dividir, wat me bij de gedachte bracht dat de Nederlandstalige vertaler misschien wel eens aan dyscalculie leed en het verhaal op die manier tot een mirakel heeft aangedikt door delen met vermenigvuldigen om te wisselen. Jezus verdeelde gewoon broden, hij vermenigvuldigde geen broden. Was dit al niet nobel genoeg? Was dat niet de essentie van de boodschap?

Ik kampeerde aan de rand van Toledo.

Op de camping kwam een sympathieke Bask mij een kurkentrekker vragen. Die van hem lag nog op een aanrecht ergens in San Sebastian en hij was die vergeten mee te nemen. Geïnspireerd door de pastoor van Toledo, deelde ik mijn kurkentrekker.

Hij bood mij uit dankbaarheid en vooral uit fierheid zijn zelfgemaakte cider aan, wat ik uit Vlaamse gewoonte – niet storen, weet je wel – weigerde. Maar voor ik het goed en al besefte, kreeg ik een glas cider in mijn handen geduwd en enige tellen later zat ik mee aan tafel bij het gezin een Spaanse omelet met brood te eten. Hij legde mij uit hoe de cider van hoog ingegoten wordt omdat er toch maar luchtbellen zouden inzitten en hoe in Baskenland de cider in één teug werd uitgedronken om de luchtbellen niet te laten verdwijnen, wat mijn juf Spaans ook al eens had uitgelegd. Hier in Toledo, kreeg ik de toestemming om trager te drinken. Het zou er niet veel aan veranderen, want in Toledo goot hij de cider ook niet in het glas vanuit een Baskische hoogte.

We probeerden elkaars cultuur goed te begrijpen. Zo bleek dat de Baskische kinderen nu op school als tweede taal Engels leren, geen Spaans. Omdat Baskenland amper twee televisiezenders heeft, leren de kinderen via de betere nationale zenders dan spontaan ook Spaans, maar niet op school. In sommige andere gezinnen worden de kinderen daarom expliciet naar Spaanse scholen gestuurd. Dit verdeelt het Baskenland.

Dag 10: Toledo -> Cuenca – 373 km

Deze dag stond in het teken van Los Molinos en La Ruta de Don Quijote.

Die molens – er zijn er meerder op de weg – waren het mooiste in Consuegra, omdat daar ook een kasteel bij staat. Het was gloeiend heet en ik besefte nu waarom Cervantes net daar het delirium van Don Quijote installeerde.  Het was die warmte, die hem deed vechten tegen de windmolens.

In Pedro Muñoz – een dorp, bijna een stadje,  midden in Spanje – werd het even moeilijk. De kern was afgesloten voor de zomerse Pedro-feesten en het vervolg van de N420 naar Cuenca ging langs een omleiding die slecht was aangeduid. Hoewel er maar vier invalswegen waren, was het toch een kluwen om in de juiste richting te komen. Ik besloot dan maar iets te gaan drinken en de weg te vragen aan de lokale mensen. De serveerster van de zaak hielp mij in de juiste richting. Ze bracht me wat te drinken en kwam daarna nog met een tapa. Ze vroeg van waar ik kwam en welke taal ze daar spreken, waarop ze zich meteen excuseerde dat ze geen holandés sprak.

Een tiental minuten later kwam ze de weg uitleggen langs de heel andere kant. En, als ik het niet vond, mocht ik aan iedereen opnieuw de weg vragen. Ze had er een oprecht vertrouwen in dat iedereen me zou helpen.

Niemand zal het ooit in zijn hoofd halen om een reis naar Pedro Muñoz te boeken. Wie het echte en alledaagse Spanje wil kennen, is dankbaar als hij daar gepasseerd is.

Het lukte tot in Cuenca, dat een mooi historische gedeelte heeft – op een rots gebouwd – en gesitueerd is aan het begin van een nationaal park.

Fantastisch om door te rijden en in te verdwalen, dat park. Ik oriënteerde me terug op de zon van juf Sonja. Ook hier waren er kleine dorpen die niet op de kaart stonden en die telkens het einde van de weg waren. Na een derde doodlopend dorp gaf ik het op en reed terug naar Cuenca, waar de camping toevallig op de weg lag, die ik eigenlijk nodig had.

Ook deze kampeerplaats was bevolkt met alleen maar Spanjaarden. Wie er een caravan had, had er ook een hond.

Dag 11: Cuenca ->  L’Ampolla – 454 km

Honderden kilometers bergen en mooie natuur, de motorjas een sauna, en daarom reed ik naar de kust, waar ik binnenkwam in Peñiscola om uiteindelijk te stranden in de monding van de Ebro.

Echt een mooie dag!

Dan, de kust. Qua afkoeling, nada. Het was nog steeds even warm. De kust stonk naar schimmelkaas en was lelijk. De route ging door een verminkt decor van littekenbebouwing. De terrasprijzen gingen maal twee en de bediening draaide op routine met een woordenboekdroge vriendelijkheid. Alléén al daarom zou je naar Pedro Muñoz willen gaan.

Ik reed verder naar L’Ampolla.

In de monding van de Ebro wordt overal rijst gekweekt en dit is de moeite om te zien. De telers rijden erdoor met traktoren, die grote wielen hebben in de vorm van een blad van een cirkelzaag.

De camping in L’Ampollo draaide voornamelijk op buitenlanders, waaronder een wat ouder koppel uit Herentals. De man kwam me vragen of ik als landgenoot geen bakje koffie lustte. De Nederlander met zijn vrouw uit de Kempen was naar Spanje gekomen met een gloednieuwe mobilhome en daarachter een kar – eerder een garage – met daarin een Yamaha FJR. Chique moto!

Dag 12: L’Ampolla -> Fougax-et-Barrineuf – 428 km

Langs de Ebro naar Andorra, een traject van schoonheid naar saaiheid, naar de extase van de Pyreneeën.

Andorra vlotte in het binnenkomen langs mijn kant, stropte in buitengaan in de andere richting. De Guardia Civil checkte vrij grondig en geduldig of de Spanjaarden niet te veel gekocht hadden in de lange winkelstraat, die Andorra is.

Ik kocht er een Tomtom Rider 550. In de prijs inbegrepen kreeg ik wat wolken boven Andorra.

Via Ax-les Thermes en willekeurig rijden – de Tomtom stond er nog niet op – kwam ik in Fougax-et-Barrineuf terecht, nabij het kasteel van Montségur. Camping Buis is een bijzonder kleine camping met een ongelooflijk sympathieke uitbater. Wie de absolute rust zoekt, onovertroffen vriendelijkheid wil en een minimum aan comfort verdraagt, dus ook Franse toiletten, moet hier passeren. De hamburger op de menukaart is er doorheen de jaren een legende geworden.

Hier komen zelfs indianen kamperen.

Dag 13: Fougax-et-Barrineuf -> Florac – 365 km

Met de nieuwe gps op het stuur testte ik de kronkelmodus. Kronkelen deed het. Van de camping tot Carcassonne kreeg ik geen honderd meter rechte weg. Dat ik er honderd kilometer over deed in plaats van de kortere route van zevenentwintig moest ik er uiteraard bijnemen. In ieder geval kwam ik op plaatsen, die ik anders nooit of te nimmer zou hebben gezien.

Omdat ik zo niet naar België kon terugkeren, verminderde ik het kronkelen in de richting van de Cevennes. De Cevennes lijken op de grotere broer van de Ardennen, met bovendien echte en scherpe haarspeldbochten.

Een Frans koppel op een zware Kawasaki ZZR vond hun motor te zwaar in gewicht voor die bochten. Ze mikten op een vloeiender draai als ze hun koffers konden achterlaten op de camping.

Op diezelfde camping maakte ik kennis met een Duitser uit Keulen. Mager en taai reed hij op zijn ligfiets van Avignon naar Bordeaux. Dat had hij ook al doorheen heel Marokko gedaan, waarbij de helft van zijn weinige bagage uit water bestond. Daar moest je toch karakter voor hebben!

Dag 14: Florac -> Saint-Rémy-de-Blot – 435 km

Vanaf Florac doorheen de Gorges du Tarn is voor iedereen een aanrader, of je die nu met de fiets, met de motor of met de wagen wil rijden. Heel vloeiende baan, met onderweg enkele zeer schattige dorpen.

Later nog de Gorges du Lot, om uiteindelijk net boven Clermont-Ferrand uit te komen de plaats, waar ik negentien jaar geleden ook op de motor-camping stond. Toen waren het Nederlandse uitbaters. In mijn nostalgie ging het er veel gezelliger aan toe. De bar was buiten. Er zaten daar allerlei nationaliteiten. Er werden minstens zeven talen gesproken en er werd nog gesleuteld in een speciaal daartoe voorziene garage. Die garage is  er nu niet meer. Waarschijnlijk zijn de motoren er ook op vooruitgegaan. De camping zelf is zeer basis – geen elektriciteit bijvoorbeeld, nu ik mijn gps wou opladen – waardoor de enige reden om er te vertoeven de ambiance is.

Er zaten drie Nederlands, alle anderen waar Fransen. Het samen eten van reuzegrote biefstukken aan ruime ronde tafels maakte het tot een ontspannen sfeer met een vlotte babbel.

Zoals altijd beginnen de gesprekken met de Fransen zeer boeiend over het invoeren van motoren, nieuwe technologieën, reizen, leuke anekdotes en cultuur, maar eindigen ze over het systeem van de sociale zekerheid. Vanaf negen uur ’s avonds ging het voornamelijk nog over prime, statut, mandat en de belastingen op televisiekijken. Bon, c’est la vie!

Leuk, zonder meer.

Dag 15: Saint-Remy-de-Blot -> Gent – 690 km – in totaal 6.588 km.

Naar het Noorden. Je kent dat.  Belgen met een dakkoffer vol badmintonsets en een nieuwe opblaasbare roeiboot van plastiek. Nederlanders met een halflege kar aan hun trekhaak. Alleen de Fransen gebruiken de afritten. Dit was opnieuw dwars door Frankrijk op een zaterdag in de zomer.