De Spaanse Pyreneeën

Het concept van de reis was zo oud als de Michelin-kaart: een bestemming kiezen en daar de groen ingekleurde baantjes volgen. Sightseeing op wielen. Motorrijden, vooral veel rijden, … in de Spaanse Pyreneeën.

Dag 1: Gent –> Colera, via autostrade – 1258 km

Ik reed vanuit Gent naar het einde van de nacht, richting Parijs. Beter, ik rilde en trilde naar Parijs. Het was verdomd koud voor een dag, die ze voorspelden naar vijfentwintig graden te stijgen. Om acht uur laveerde ik tussen  de auto’s op de drukke ring rond de Eiffeltoren. Vanaf daar, niets dan zon.

Er was geen te bereiken doel, die dag. De Cévennen hadden een eerste kampplaats kunnen worden, maar nog geen tweehonderd  kilometer verder stond ik aan de Middellandse Zee. Nog eens honderd kilometer verder stond ik in Perpignan. Dan kon ik toch net zo goed doorrijden tot Spanje, niet? Más allá. Plus ultra. Steeds verder. Het verlangen verschoof en het doel kwam steeds verder te liggen.

Iedere dag had wel een akkefietje. Dat was maar goed ook. Anders had ik helemaal niets om over te schrijven, behalve wat vergelijkende trappen over de wegen in de bergen: mooi, mooier en nog mooier.

Zo ging het in Argelès-sur-Mer wat mis met de allerlaatste péage. De automaat had last van ticket-reflux. Zo gauw als het in de gleuf ging, spuwde de machine het ticket er weer uit.

Na een duw op de assistentieknop kreeg ik een vriendelijke jongedame aan de lijn, die me – na een ganse uitleg à la française – naar de code op het kaartje vroeg. Geen code. Daarop volgden enkele vragen vanuit welke richting ik kwam en waar precies ik was opgereden, alsof ik dat nog wist. Tussendoor was ze aan het overleggen met haar collega en hoorde ik druk geritsel in een pak papieren.

J’ai un menteur’, zei ze aan haar collega, en bleef ritselen.

Ik verzekerde de jongedame dat ik geen code vond en gaf nogmaals aan dat ik uit de richting van Clermont-Ferrand kwam, dat weliswaar al meer dan vier uur achter me lag. Waarom zou ik liegen? Mijn verontwaardiging deed haar lachen en ze stelde me gerust dat ‘un menteur’ péage-terminologie was voor een ticket zonder code. Het was niet persoonlijk bedoeld. Via haar klavier aan de andere kant van de lijn toverde ze het verschuldigde bedrag op de console. Ik stak de visa-kaart in de tweede gleuf en terstond ging de barrière omhoog. Ik wou haar nog bedanken, maar wellicht was ze in de tussentijd al slagbomen aan het openen in Metz of Nancy.

Er lag een mooi stukje kronkelende kustweg van Argelès naar de eerste kilometerpaal van de legendarische N 260 te wachten. Ik had Spanje bereikt voor zonsondergang.

Dag 2: Colera -> Roda de Isábena, via de N 260 – 399 km

Het tokkelen van de regen op het tentzeil kondigde de dag aan. Ik nam een  typisch Spaans ontbijt van galletas de príncipe y café instantáneo [Prince koeken en oploskoffie] en pakte de natte tent in.

De dag stond volledig in het teken van de N 260, met een eerste stop in Figueras, de stad van Salvador Dalí.

De N 260 bouwt op, van heel rechtlijnig naar het meer geraffineerde bochtenwerk. Ik reed ze: korte bochten, gestrekte bochten, ovale bochten, ronde bochten, scherpe bochten, haarspeldbochten, stijgende bochten, dalende bochten, … . Je hebt ze dan ook allemaal, op die N 260. Langs de route vind je willekeurig verspreide dorpjes, waarvan ieder mens zich afvraagt wat de mensen daar doen. Hoe zijn die mensen daar terechtgekomen? Hoe overleven ze daar? Wat doen die mensen daar?

Op dit moment overleefde er vooral een grote colère van de Catalanen tegenover de Spaanse overheersing. Overal hingen Catalaanse vlaggen om hun standpunt voor onafhankelijkheid kracht bij te zetten.  Het is de Gentenaar Keizer Karel – bij ons Karel V, in Spanje Carlos I – die vijfhonderd jaar geleden met de Catalanen een verdrag sloot om braaf te zijn en voortaan te behoren tot Spanje. Dat willen ontsnappen aan Spanje hebben die Catalanen altijd in zich gehad. In 1640 deden ze het en in 1934 verklaarden ze ook al de onafhankelijkheid. Om maar te zeggen dat hun boosheid vrij diep zit, … in de geschiedenis.

 

Eindbestemming van de dag was Roda de Isábena, het kleinste dorpje van Spanje met een kathedraal. Volgens Wikipedia is een kathedraal de belangrijkste kerk van een bisdom, niet zozeer een kerk van een extreem groot formaat, zoals ik eerder dacht. De kathedraal van Roda de Isábena is dan ook niet zeer groot, wel heel mooi.

Nog belangrijker dan die kerk, was de motorcamping in Roda de Isábena. Op de camping kon je de nieuwste BMW’s huren om door de bergen te schuren en had het merendeel van het kampeerpubliek een helm in de tent liggen. Zoals motorrijders elkaar begroeten langs de straten – in Frankrijk zelfs op de autostrade –, zo groette iedereen hier elkaar ook.

Ik ontmoette er Jürgen aus Berlin, een mid-dertiger die al zo’n vijf weken aan het rondtrekken was, van Duitsland naar Italië, doorheen Zuid-Frankrijk, Spanje, Marokko, terug een beetje Spanje, Portugal en nu aan het genieten was van de rust in de Pyreneeën. Hij reed met een KTM 1000 Adventure.

Jürgen sloeg zijn handpalm voor zijn rechteroog en keek met zijn linkeroog door zijn vingers, toen hij zag hoe klein behuisd ik was in het kamperen. Vergeleken met mijn tent, sliep hij inderdaad in een circus.

Later op de avond hebben we een paar pintjes lang ideeën uitgewisseld over bestemmingen en elkaar heel vaak gelijk gegeven in onze manier van reizen. Bij iedere verwondering, of het nu in zijn of mijn verhaal was, ging die hand voor zijn ene oog.

Dag 3: Roda de Isábena -> Ochagavía, via Ainsa, Torla, Biescas, Laruns (F), Arudy (F), Aramits (F), Tardets (F), Isaba, Burgi, Navascués – 387 km

Om negen uur stond ik klaar om te vertrekken. Jürgen kwam nog een praatje slaan. Hij had zich intussen voorgenomen terug naar Berlijn te reizen langs de kleinere wegen.

Bij het zien van mijn old school papieren gps – de Michelinkaart – deed ie het weer. Zijn handpalm ging voor zijn rechteroog. Zelf gebruikte hij Cruiser op zijn smartphone en was er dolenthousiast over. Met zijn linkeroog zag hij mijn primitievere navigatietool door de vingers.

Op de route van de dag lagen Ainsa en Torla, twee mooie oude dorpen. Toeristisch, maar zeer de moeite voor een oponthoud. Stralende zon!

Ook in Torla bezorgt de postbode het pakketje, dat je bestelde via Amazon.

Een paar honderd meter buiten Torla was ik mijn chorizo nog aan het herkauwen of zo ineens, kwam er een bende rosse koeien uit de bocht gevlogen. Ik remde af. De boer bleek er alle vertrouwen in te hebben, maar ik zag de koeien vooral lomp van de ene kant van de weg naar de andere slingeren, drummen en tegen elkaar aanlopen. Tot twee meter voor het voorwiel kwamen de beesten in een frontlijn op me af.

Achter me, was er een kudde motorrijders komen staan. Ze hielden afstand. Misschien waren ze aan het afwachten hoe het de Transalp zou vergaan, vooraleer ook hun motoren tot platte wisselstukken zouden vertrappeld worden.

Even dacht ik nog een laatste paar foto’s te nemen om het rouwproces van mijn nabestaanden te vergemakkelijken, zodat ze zouden weten dat ik voor de ene helft overleden was onder een omver gewalste motor, de andere helft onder de hoeven en poten van koeien. Mensen weten dat graag, hoe je dat laatste moment hebt beleefd. Dan zien ze ook graag om welke koeien het precies gaat. Het fototoestel zat toch wel in één van de koffers, zeker!?

Intussen was één van de runderen tot op een halve meter van de motor genaderd. De koe zag wel een obstakel in mij, maar leek nog het meest van haar weg af te wijken omwille van het geluid van de motor. Ze zwalpte voorbij op zo’n halve meter afstand. Dat deed de hele bende uiteindelijk. De witte kleine hond die achteraan liep, was niet meer of niet minder dan een figurant. Ik had toch niet de indruk dat hij van enig nut was om de koeien te begeleiden. Geen koe die hem kon zien en hij blafte niet.

Ik ben traag doorgereden. De motorrijders achter mij, die hun motoren hadden stilgelegd, hebben me niet meer ingehaald. Wellicht, zullen zij ook traag zijn doorgereden?!

Van Torla naar de toppen van de bergen was een fantastisch traject. Rustig cruisen, wiegen door de bochten. Geen koeien meer. De rust van de Pyreneeën was immens. Op de top waren er de verlaten skistations, af en toe wat mobilhomes met picknicktafels, een dor sneeuwlandschap en enkele snoerende motoren. Voor iedere motorrijder is dat de plaats waarop je een foto neemt.

De grens over, dus Frankrijk binnen, kon ik me niet ontdoen van deze twee indrukken. Ten eerste, dat het groener was aan de overkant. Ten tweede, toen ze op het Ministerie van Publieke Werken voor de kaart van Frankrijk stonden om te kiezen welke wegen ze zouden herstellen, hebben ze de Pyreneeën duidelijk links laten liggen.

Heel het Spaanse gedeelte stonden er om de vijf voeten borden die wezen op het gevaar van overspringende herten. In het Frans gedeelte, geen enkele.

Wie dook daar op, uit het struikgewas? Juist! Omdat ik moeilijk het IQ van zo’n dier kon inschatten, ging ik vlug naar de laagste versnelling. Het hertje dartelde met de elegantie van een ballerina door de velden. Net daarom schatte ik haar intelligentie vrij hoog in. Ze huppelde een dertig tot vijftig meter parallel met me mee, om dan zo heel plots – tsjaka – voor de motor over de weg te springen.

Ongelooflijk! Hoe dom kun je zijn?

Het scheelde niets of ik kon ter plaatse blijven kamperen met een geplooide voorvork van een Transalp. Ook hiervan, geen foto. Het fototoestel zat terug in één van de koffers en het ging allemaal veel te vlug.

Ik maakte wel een foto van het paard op de weg, toen ik terug de grens overstak naar Spanje.

Terug in Spanje begon het te regenen. Mooie paden, heerlijke kronkels, maar een vizier vol regendruppels. De namen op de wegwijzers bleken niet overeen te komen met de namen op de kaart. Zo kwam ik in plaats van Ochagavía in Isaba terecht. Daar nog aan toe, ik kon even goed een camping zoeken rond Isaba. Hoe verder ik reed, hoe minder campings ik vond. Na tamelijk wat omweg, toch bijna in Ochagavía, vond ik aan de rechterkant van de NA 178 de luxecamping Murkuzuria. Wifi à volonté, en zo. Het leek veelbelovend aan het begin van de oprijlaan, maar bij aankomst aan de poort bleek die pas open te gaan in juli.

Uiteindelijk in Ochagavía, een geliefd dorpje bij veel bergwandelaars, kon ik een camping oprijden. Het regende nog een beetje.  Het opzetten van de tent nam met moeite vijf minuten in beslag. De haringen gingen in de natte grond, alsof ze gleden door een zachte vier vierde cake. ¡Dios mío! Ook de Transalp begon minuut na minuut met de steunpoot alarmerend diep in de grond te zakken. Thuis had ik een hok vol plankjes, die het gewicht op het steunpunt zou kunnen verdelen, hier moest ik verschrikkelijk lang zoeken naar een onnozele kei om mijn Poderosa te stabiliseren.

Daarna nog heel kort een terrasje gedaan.

De camping was bevolkt door drie Duitsers met een oude Volkswagen, die hun motoren op een trailer naar hier haar hadden gebracht. Aan de andere kant kampeerde een groep Spaanse jongeren, die de hele nacht lawaai maakten en op een soort van re-integratiekamp waren.

Dag 4: Ochagavía -> Bermeo, via Lumbier, Pamplona, Lekunberri, Tolosa, Deba, Lekeitio, Gernika  – 271 km

Laat in slaap gevallen, laat opgestaan. De zon scheen en de camping was proper. De camping was proper! Alle lawaaimakers, inclusief tenten, waren verdwenen. Alléén de Duitsers schoten over.

Via de Hoz de Arbayun, een geprefereerd luchtruim voor roofvogels, reed ik naar Pamplona. Mooi om zien.

In Pamplona werden die dag geen stieren losgelaten en kon ik rustig slenteren door de nauwe straatjes, waar het krioelde van de pelgrims op weg naar Santiago de Compostella. Ze zijn te herkennen aan hun rugzakken met een bengelende sint-jacobsschelp en een tenue in een kleurencombinatie die alléén pelgrims kiezen. Bijvoorbeeld, een rode t-shirt, groene broek, blauwe rugzak en beige bottines. Een pelgrim die zijn schelp kwijt is, blijf je eruit halen. Daar zaten zelfs Japanners of Chinezen tussen, voor wie de tocht meer een prestigezaak was dan dat ze dit werkelijk uit geloofsovertuiging deden.

Nog zo’n lange weg te gaan en sommige mankten nu al een beetje. Courage!

Pamplona was ook een inspirerende stad voor de schrijver Ernest Hemingway. ’t Is te zeggen, hij heeft er heel veel op café gezeten. Zijn Camino was veeleer een kroegentocht.

Via een groen stukje autostrade en kleine baantjes ging het verder naar Tolosa, in de richting van de oceaan. De Pyreneeën roken de hele reis en in willekeurige volgorde naar nieuw gehakte bomen, vers asfalt, grill, scampi’s in de look, ajuinen en helemaal op het einde naar de zee.

In Deba stond er een felle wind. Het stormde zelfs een beetje. De motor was zeer moeilijk in bedwang te houden op de kustweg naar Lekeitio, waar ik hoopte te kunnen overnachten. Ook daar was er slechts een hoogseizoencamping. Dan maar via Gernika-lumo – vooral bekend door de Guernica van Picasso, waarin hij zijn artistieke interpretatie gaf van het bombardement op de stad door de Luftwaffe in 1937 – naar Bermeo.

Langs Bermeo gaat er een lange zandgeul landinwaarts. Mooi om naar te kijken, maar de uitleg op het toeristisch bord was volledig in het Baskisch, wat geen enkele toerist verstaat.

Daarin zijn de Basken wel speciaal. Ze hebben net hun ETA ontbonden, hangen geen vlaggen aan de huizen zoals bij de Catalanen, maar ze blijven alles hardnekkig in hun eigen taal afficheren, zodat geen enkele buitenstaander hen begrijpt. Meestal gebruiken ze een lettertype dat je buiten hun gebied enkel terugvindt in de titels van Asterix en Obelix. De Basken zijn niet echt onafhankelijk, maar aanhankelijk zijn ze evenmin. Op hun terrein, zijn zij duidelijk de baas.

Madrid zou veel kunnen oplossen door Catalonië ook haar eigen lettertype te geven.

In Bermeo vond ik een leuke camping, al had je bijna een duikbrevet nodig om naar je eigen perceel af te dalen. Het enorme voordeel van die steile helling was de complete beschutting tegen de wind. Ik was er de enige motorrijder. Aanpalend kampeerde er een vriendelijk koppel oudere Duitsers, met een hond.

Dag 5: Bermeo -> Blaye, via Irun, Biarritz, Mimizan, Bordeaux – 440 km

In Bermeo hield het op aan groene wegen op de Michelinkaart om de reis terug naar huis aan te vatten. Daarom besloot ik de laatste Pyreneeën te doorkruisen via de autostrade en vanaf Frankrijk via nationals en departementals door de Landes te rijden.

Net over de Franse de grens was het een zeer drukke bedoening op die departementals. De hele weg naar Biarritz was het aanschuiven in de regen. Biarritz leek mij vooral een mondaine kustgemeente, met de duurdere shoppingfaciliteiten – vooral voor chique badpakken – en veel toeristen met paraplu’s.  Het was geen oord om lang te vertoeven, al kan dit helemaal aan het weer hebben gelegen.

Wat verder – in de Landes – was het bijzonder plezant rijden tussen de sparren en het vele groen, zonder veel verkeer en in de volle zon. Terug, die heerlijke rust.

Tot Mimizan volgde ik de kustlijn om daarna richting Bordeaux te gaan en finaal te stranden in Blaye, te midden de wijngaarden en -kastelen van de Bordeauxstreek.

In Blaye kon ik overnachten op de camping municipal binnen de muren van de citadel, die werkelijk een pico bello citadel is, beschermd door de Unesco. De Fransen mogen dan wel het asfalt van de Pyreneeën hebben achtergesteld, hun cultureel erfgoed en het lef om daar kampeerders voor 6,40 euro per nacht op los te laten, verdient een medaille in de orde van de Légion d’Honneur. Eenvoudig sanitair en zeker geen sterrencamping, maar qua locatie één van de mooiste plaatsen waar ik ooit een tent neerzette.

Voor de gelegenheid ben ik op zoek gegaan naar een lokaal drankje: een Chateau Vieux Planty 2015 uit Blaye, die de gouden medaille heeft gewonnen van het Concours International de Lyon in 2016. Ik vertrouwde vooral op de medaille, had absoluut geen kennis van tannine of afdronk, en zal dit wellicht nooit hebben. Het was een goede rode wijn, tout court.

Na voldoende motorrijden word je eerder een benzinesommelier dan een wijnkenner. Tanken is een mindful gebeuren voor iedere motorrijder.  Op den duur – en zeker op reis – weet je de verschillende merken tot in de kleinere nuances van elkaar te onderscheiden. De benzine van Avia is bijvoorbeeld licht geel, die van de Franse warenhuizen iets meer schuimend en feller geel, daar waar Total bijna volledig transparant schenkt en je bij Repsol – mijn favoriet – blauwe benzine in je tank smurft. Het ene staat het andere wat in de weg. Die constante geur van benzine vertroebelt je smaakpapillen voor het verfijnd proeven van wijn.

Dag 6: Blaye -> Gent, via autostrade – 845 km

De weg naar huis was lang en het aantal groene adertjes op de kaart vrij miniem. Daarom ben ik meteen naar huis gereden. Bretagne, Normandië of de Seine-streek hadden heus nog veel kunnen bieden, maar dan eerder voor de regio op zich, minder omwille van het motorplezier op de wegen.

Voor de Transalp-fanaten die op diverse fora zoeken naar een vergelijkingspunt voor het verbruik, op de exact 3.600 kilometer – gemengd verbruik over autostrades, bergen en dalen, gebogen en recht wegen – was het gemiddeld verbruik 5,51 liter per 100 kilometer.

Klaar voor Galicië!