Ik wou een inktvis eten op het einde van de wereld

Het was de bedoeling om enkel Galicië in kaart te brengen, als een nog onontgonnen terrein. Galicië was mij bekend omwille van zijn vele wandelaars naar Santiago, slechts weinig uit de verhalen van motorrijders. Vooral dat symbolische einde van de wereld – Fisterre – trok mij aan.

Ik ben er naartoe gereden en het was een o zo gevarieerde reis. Al vlug ging het niet volgens plan. Of, er was het weer. Er was het verdwalen. Of, gewoon de keuzes die moesten gemaakt worden.  En, dan waren er weer de mensen die je tegenkwam, die je verleidden tot andere plannen, zoals de N222 in Portugal.

Het is uiteindelijk een motorreis geworden, die van dag tot dag gepland werd. Finaal heb je om te reizen maar één punt nodig om naartoe te gaan, en al de rest wijst onderweg zichzelf uit. Of je dat punt nu wel of niet bereikt, maakt zelfs niet eens uit. Dat leerde ik van de Duitser op de ligfiets. Niets is leuker dan plannen maken en er dan van afwijken omdat er iets op je route komt. Nog nooit, had hij een reis gemaakt zoals hij die gepland had.

Het plan was Fisterre heen en terug, in een lus. Ik wou een inktvis eten op het einde van de wereld.

Deze trip ging van de Bordeaux-streek over Santander naar de Picos de Europa. Vandaar naar Galicia langs de kust, met een bezoek aan Santiago en verder tot bij de grens van Portugal. Via Porto de Porto-route tot in het binnenland van Spanje, naar Toledo en de molens, waar Don Quichot literair tegen vocht. Dan even de Middellandse Zee aangeraakt. Ik dacht dat het daar wat frisser zou zijn. Via de Ebro naar Andorra. Door Frankrijk naar de Cevennes, om uiteindelijk via een nostalgische herinnering terug naar huis te rijden.

Het verhaal lees je hier.

 

 

 

Het laatste motortreffen van Zomergem-Beke

Dit was de achtste en laatste motorrit van Zomergem-Beke. Volgend jaar wordt Zomergem Lievegem.

Fenomenale rit, goed in elkaar gezet. Via een vrij rechte lijn – getekend met een lichte bibber die voor honderden kleine bochtjes zorgde – baanden we ons een weg naar de Westhoek. Geen flitspalen, geen verkeerslichten. Of toch eentje, … in dinge … in Elverdinge, een rood licht. Voor de rest allemaal kleine weggetjes, goed aangeduid, rustig wiegend door de weilanden. Je zou voor minder lyrisch worden.

 

We waren bijna echt vergeten,

hoe schoon West-Vlaanderen wel kan zijn,

hoe mooi de zomer wel kan zijn,

zonder zorgen en zonder regen,

hoe schoon de zomer hier kan zijn.

 

En, we waren ook uit het oog verloren,

hoe warm het weiland wel kan zijn.

 

’t Was warm en die warmte zal er ongetwijfeld voor iets tussen hebben gezeten.

We reden Kortemark voorbij, richting Handzame. In de Groenestraat – een straat die ik anders nooit zou hebben gekend – is het gebeurd, in een fractie van een seconde. Ik reed amper dertig meter achterop en zag het zelfs niet eens gebeuren. Zo snel ging het. Ik hoorde alleen een korte plof. En zowaar ik die plof hoorde, stond ik al net naast het accident. De piloot lag op de berm. De wijnrode Vulcan 900 stond in de droge gracht geparkeerd, met het voorwiel in de richting van Eeklo.

Met een stuk of vier zijn we naar de man gelopen, die intussen rechtop zat. Het lukte meteen ook om recht te staan. Maar, in plaats van dan terug neer te zitten om even te bekomen, wou hij eerst de schade opmeten aan de motor. Dat is vrij typisch aan motorrijders. Een voetballer die bijvoorbeeld over zijn voeten struikelt, stelt zich geen vragen over het verdere verloop van de match, laat staan dat hij op zoek gaat naar de bal. Die ligt eerst te kermen, te kronkelen en stuip te trekken, tot de rest van het elftal hem weer overeind helpt of er een team van pediatrisch verpleegkundigen komt aangestormd. Motorrijders zijn daar anders in.

De schade was te overzien: een afgeknapte spiegel en wat gebroken plexiglas. Volgens de onmiddellijke volgers was hij overkop gegaan.  Gezien de motor in de tegenovergestelde richting stond, moet hij ook nog een summiere pirouette hebben gemaakt. De ravage viel dus al bij al nog mee voor zo’n salto met halve schroef. Een barani heet dat in het gymnastiekjargon.

Na een kwartiertje en toch even navraag te hebben gedaan of de organisatie geen takeldienst ter beschikking had, zijn we zelf beginnen takelen. Het is ons gelukt om op pure mankracht die tweehonderdtachtig kilo staal en chroom het maisveld in te hijsen.

De man van de motor gaf aan dat hij even voor zijn slootduik onwel was geworden, dat ie het plots had gevoeld aan zijn moteur. Een hartritmestoornis? In ieder geval zal de adrenaline het nodige werk hebben gedaan om dat motorhart met een directe injectie terug in hogere toeren te trekken. Een ambulance vond hij niet nodig. Zijn familie zou hem en zijn vehikel komen ophalen met een camionette.

Daarop ging het verder naar de Ijzer, naar de frontlinies en de witte zerken van duizend soldaten. In dat uiterste West-Vlaanderen was het zo rustig en stil, alsof de dorpelingen nog steeds aan het bekomen waren van twee luide wereldoorlogen.

Enkel rond de abdij van Westvleteren was er ietsje meer beweging en hoorde je op geringe afstand het terrasgetater bij bruine en blonde bieren. Van daaruit ging het landelijk terug naar Beke, met en passant nog even een glimp op het kasteel van Poeke.

De opbrengst van de toer ging naar de VZW Feestvarken. De rit – een feest op zich – sloot daarmee nauw aan bij haar goede doel, … als je niet met een rode custom reed.

Red Knights Tour

Ook onder een schapenvacht van wolken was er het plezier van het rijden. Bijvoorbeeld, bij de brandweer van Oostkamp, die twee lussen van ieder tachtig kilometer had voorzien van pijlen. Alles voor het goede doel en dicht bij de kazerne.