Zen

In Zen en de kunst van het motoronderhoud, sympathiseerde ik meer met het personage van John Sutherland dan met Robert Kirsig, de verteller. Net als Sutherland, ben ik niet zo’n sleutelfreak. Ik laat de mechanica liever over aan de echte specialisten. Maar, vol enthousiasme en in een poging om toch dat zen-gevoel te ontwikkelen, omdat ik dacht dat ik dat met motoronderhoud zou bereiken, ben ik na het lezen van het boek mijn motor gaan demonteren.

Het verhaal dateert inmiddels van zo’n twintig jaar geleden. Om de ketting van een Bandit bij te regelen hoef je geen ervaren mecanicien te zijn. In plaats van fijngevoelig bij te stellen, spande ik de ketting in die mate op dat ik geen kant meer op kon.  Tot daar, een eenvoudig probleem. Bovendien draaide ik de stelbout zodanig naar de vaantjes, dat ik hem nadien kon uitboren, in een donkere ondergrondse garage van een appartement, zonder stopcontacten, en dus ook zonder boormachine. Begin maar. In etappes, die overeenkwamen met de batterijduur van een amateuristische schroefmachine, kortte de bout in gradaties van nanometers. Het duurde uren tot ik met een fijn klein ingeklemd tangetje het overgebleven stukje staal uit de swingarm kon draaien. Wat heb ik mezelf vervloekt, die avonden. Sindsdien ben ik zen-matiger beginnen omgaan met bouten en motortechniek.

Ik heb mijn limieten leren kennen en grenzen verlegd. Ik heb Kirsig naar de kringloopwinkel gevoerd (na de herstelling).

Het voorbije weekend zette ik de CBR op de paddock, heb ik de ketting ontvet, de schakels gepoetst, alles gesmeerd en jawel, de spanning gecorrigeerd. Ouder, wijzer, een nieuw begin. Geen schade, bouten intact, alles werkte. Mijn kunst van het kettingonderhoud mocht dan al een tentoonstelling waard zijn, het maakte mij geenszins zen. Het was hoogstens een overwinning op het vroegere Bandit-trauma.

Ik ben Kirsig terug gaan opzoeken. Blijkt nu, na al die jaren en tot mijn grote verbazing, dat hij helemaal niets schreef over zen. In vijfhonderd pagina’s heeft Kirsig niet eens zijn titel bereikt. Onnoemelijk veel onderhoud, weinig zen.  Hij had voortdurend discussies over kwaliteit, filosofeerde over idealen en zocht een manier om naar de wereld te kijken, zoals het hem best uitkwam. Het zen-gegeven bleef onaangeraakt en roerloos liggen. Twintig jaar heb ik de illusie gekoesterd dat een werkplaatshandboek mij zonniger, mij zinniger en mij vooral zenniger door het leven zou leiden. Ik had er bijna eentje aangeschaft voor mijn CBR. Twintig jaar heb ik gedacht dat, als ik het aantal Newton op een momentsleutel zou kunnen instellen, ik de kracht van rust en zen zou ontdekken.

Zen, zo blijkt, is een ontdekking van wie je bent. Ik ben, wie ik altijd al wist dat ik was. Ik ben meer een John Sutherland, die wel in staat is zijn ketting fijn te regelen. Zen, dat is rijden.

Il était une fois

“Bonjour, je vends mon Honda CBR 600f dans un état irréprochable, avec seulement 27.000 km. La cause est simple, je dois absolument finir les travaux dans ma maison. À venir voir absolument!

Via dit stukje proza zijn we in Incourt terechtgekomen. June en ik zijn gaan testrijden. In Incourt kun je dat doen zonder te verdwalen. Het dorp is amper acht straten groot, maar zelfs in zo’n kleine gemeente zie je de sporen van een versnipperde politiek. Het gemeentehuis heeft een verzorgde voortuin en de straten eromheen zijn mooi aangelegd. Aan de overkant van de N91 ligt de Rue de Dongelberg, die ze jaren hebben laten verkommeren tot een erbarmelijke toestand met barsten, putten en veel lapwerk. Daar zijn we de veringen gaan testen.

Uit de annonce had ik afgeleid dat Pierot – de verkoper – nog weinig tijd had om te gaan rijden. Ik weet wat het is om iets te verbouwen. Dat is een eindexamen op je geduld. Toen ik hoorde wat er echt aan de hand was, kreeg ik wat medelijden met Pierot. Midden in zijn renovatie ging zijn chauffagist failliet, had hij zijn voorafbetaling door een denkbeeldige gootsteen zien verdwijnen en moest hij nu noodgedwongen zijn CBR herinvesteren in buizen, koppelingen, collectoren en een nieuwe brander. Er zat spoed achter.

Misschien was ook dit de reden waarom Pierot de onberispelijke staat van de machine in zijn advertentie illustreerde met een superfoto van het zwarte 2001-model, terwijl hij een F3 van 1998 verkocht. Dit ging verder dan een beetjes opsmukken. Dat was op het randje van frauduleus. Die zevenentwintigduizend kilometer lag trouwens ook dichter bij de achtentwintig. Met zijn gesofisticeerde gsm had hij nochtans een correcte foto kunnen nemen. Waarom deed hij dit niet?

Op mijn zachte confrontatie met zijn misleidende techniek volgde een gênante stilte, en ook ik was wat ambetant. Hij liep een rondje rond de motor en keek met een gemaakte verwondering naar de plaats waar de CBR-letters stonden, alsof de carrosserie-kabouters ze bij nachte helemaal onderaan hadden gekleefd. Tiens?! 

Nu, we waren daar vooral voor de motor, niet voor Pierot. De fiets stond koud, zoals het hoorde, startte zonder tegenpruttelen en draaide warm met een pauselijk witte rook. Tijdens de solo-testrit was er weinig op aan te merken. De motor zat ideaal qua hoogte, schakelde vlot, trok goed op en maakte een synchroon geluid. Ik zag mezelf al de Alpen oversteken, doorrijden naar Iran, stoppen in Thailand, verder rijden door Vietnam, foto’s nemen op de Chinese muur, zeeziek worden bij de overzet naar Alaska en dan de reis gewoon verderzetten. Op de ranking van het vertrouwen begon de Honda hoger te scoren dan Pierot, behalve dat de motor een beetje gorgelde en roffelde bij het stationair draaien, wat terug verdween bij de minste ontkoppeling.

C’est normal!’ zei Pierot.

Zijn vorige moto, een Kawasaki, had dat ook. Tja, alsof ik daar iets aan had. Ik wou een Honda, een betrouwbare motor. Volgens de fora op het internet was dat ratelen inderdaad een gebruikelijk gegeven bij de CBR, met verdeelde meningen over de oorzaak: druklager van de koppeling, ingeslagen lippen van de koppelingskorf, carburateurs niet goed gesynchroniseerd of de kettingspanner op de nokkenas. Zelfs garagisten konden het euvel niet altijd thuiswijzen.

Voor de testrit in duo liet ik June oordelen. Mijn duo had zich twee veto-rechten toegeëigend. Ten eerste, mocht het geen rode motor zijn. Dat zat goed. Ten tweede, moest de motor achteraan gemakkelijk zitten. Dit subjectieve gegeven baarde me meer zorgen. Er zijn ongetwijfeld toermodellen die comfortabeler zitten dan een supersport, maar zo’n toermotor zag ik echt niet zitten.

De weken die voorafgingen ben ik selfies beginnen tonen van gepensioneerden met een bordeaux Deauville, waarop je een stuk rechter zit. Na een vijftal van die selfies begin je te beseffen dat een motor niet alleen fysiek, maar ook mentaal goed moet zitten. Ik wou June haar perceptie van het zitten in een breder perspectief plaatsen. Of die selfies er voor iets tussen zaten, weet ik niet, maar bij het afstappen zag June er gelukkig uit. De CBR was door de test geraakt.

Bon, we hebben onze ontgoocheling laten blijken dat het niet de F4 van de foto was, wat afgepingeld van de prijs en de deal afgerond, zodat Pierot ook de winter met een warm gevoel tegemoet kon.

Een week later ging er 105 pk van de ene kant van de taalgrens naar de andere kant.