Door de Balkan naar Griekenland

Dag 1: Gent – Neuhausen (Duitsland) – 611 km

Het was zaterdagnamiddag en snikheet toen ik vertrok. Volgens de weersvoorspellingen stonden we nog maar aan het begin van een hittegolf over heel Europa. Ik zou rijden zolang het beviel.

Ik reed tot Stuttgart, waar zomaar uit het niets een stevige regenbui kwam opzetten. De hagelbollen trommelden luid op mijn helm en ik ontdekte meteen de tweede functie van mijn doorwaaivest. Dit was ook een doorregenjas. Het zonnige idee van te reizen zonder verwachtingen – dat het zou regenen – koelde snel af onder de felle druppels, die met bakken naar beneden kwamen.

Het plan om een regenpak aan te schaffen was de voorbije dagen opgedroogd door de warmte en de nog te verwachten hitte. Ik had motorolie mee, kopervet, nieuwe remblokken voor vooraan, reservelampjes, zelfs een geel hesje om ergens in opstand tegen te komen, maar geen regenpak.

Vrij vlug vond ik een camping, waar nog vier Belgen met BMW-motoren verbleven. Ze sliepen in grote houten tonnen en waren zot van dat soort formules. Eerder hadden ze ook al in die tonnen, in chalets en houten wigwams geslapen. Ze deden niets liever dan op camping staan, maar hen vragen om een tentharing in de grond te duwen was zoveel als vragen om rotte vis te fileren. Kamperen in tenten deden ze niet.   

De camping had een klein Italiaans restaurant.

Ik bestelde er een spaghetti aglio e olio en een kwartier later kwamen de Belgen bijschuiven. Met hun menukeuze bevestigde ik ook nog eens mijn bestelling. Na een dik half uur kwamen er vier schnitzels op tafel. Geen spaghetti, nog altijd geen drank, terwijl de vier andere hun tweede halve liter vroegen.

Wie Manuel from Barcelona uit  Fawlty Towers kent, deze ober was van zowat hetzelfde kaliber, in een Italiaanse versie: Marino from Palermo. Op andere tafels had hij een spaghetti frutti di mare als pizza di mare geserveerd en werd Fanta in plaats van de gevraagde rosé wijn geschonken. De man wist niet waar zijn hoofd stond. Hoe meer ik mijn bestelling herhaalde, hoe voller dat hoofd raakte. De resetknop bleek alleen te werken toen mijn tafelgenoten vroegen om af te rekenen en de tafel als nieuw opgenomen werd in het systeem van de garçon. Het was er rustig om te eten.

Dag 2: Neuhausen – Cortina d’Ampezzo (Italië) – 551 km

Voorbij het kasteel van Schwangau, dat Walt Disney inspireerde voor de versie van Doornroosje, ging ik de grens over.

De voorspelde hittegolf bleek in het water te vallen voor Duitsland. Alleen de Oostenrijkers konden genieten van de zon.

Heerlijk, die landelijke wegen!

Nog geen half uur was ik in Oostenrijk, of ik werd al tegengehouden door een agent. Ik had een vermoeden waarom. Kort ervoor had ik verkeersborden gezien met een motorverbod op specifieke momenten. Andere motorrijders waren die weg ingeslagen en zonder acht te slaan op de tekst onder het bord was ik gevolgd. Voor het vertrek van de reis had ik gelezen dat het verkeer op sluipwegen in sommige regio’s werd geweerd op de drukke weekenddagen met doorreizigers. Wie per se naar Italië wou, moest volgens de Oostenrijkers maar in de file op de autostrade gaan staan.

‘Polizei!’, zei ie.

Door dat uniform, die kepie, dat wapen, de insignes, die getunede wagen met zwaailichten en die overdreven publiciteitsbelettering had ik dit eigenlijk al door.

‘Wo fahren Sie hin?’

Even dacht ik te zeggen Der Weg ist das Ziel, maar hij zou mij niet begrepen hebben. Mensen die nogal op hun titel staan, zijn meestal niet zo filosofisch van aard. Ik nam dan maar de meest voor de hand liggende oplossing en deed alsof ik hem niet verstond. Mijn kennis van het Duits verdween als sneeuw voor de zon. Trouwens, het was dertig graden. Dit was het sneeuwseizoen niet.

Engels als compromis. Zo streden we met gelijkere wapens, niet de ene in zijn moedertaal en de andere onbeholpen zoekend naar een verhaal. Dat Engels was ook zachter. Duits heeft de neiging als een hakmes op een kapblok neer te komen, als men in korte zinnen spreekt.

‘English?’, vroeg ik.       

‘Where you go to?’

‘Tirol’, zei ik.

Ik zat er dan wel middenin; ik zei dat ik naar Tirol ging. Ik tekende met mijn wijsvinger een cirkel in de lucht, zodat het op een rondrit leek. Dat mijn gps op Italië ingesteld stond, kon beschouwd worden als privacy. Hij keek er niet naar.

‘Everything ok? You can go!’

Wat ook de bedoeling was, en of hij me doorliet omdat zijn Engels schier het niveau van een Charlie Chaplin-film overtrof, weet ik niet. Nooit eerder werd ik aangehouden door een agent, die gewoon even vroeg waar ik heen reed. Misschien hebben de Oostenrijkers een oprechte interesse in mensen en was dit daar wel de gewoonte.

De grens met Italië gepasseerd, floepte de zon weer uit. Maar, het bochtenwerk werd intenser en het landschap impressionanter.   


Dag 3: Cortina d’Ampezzo – Bohinj (Slovenië) – 234 km

Bochten, bochten, bochten, niets dan bochten. Van de Dolomieten tot Bohinj was er geen kilometer rechte baan. Zeer veel groen, dat ook. Bossen en nog eens bossen. Dat was Slovenië.

Onder de warme zon en met een opgesoupeerde concentratie van de vele bochten, pootte ik al in de namiddag mijn tent neer op een ruime familiecamping.

Er zaten Polen, die hun liefde voor de muziek van de Tom Jones deelden met iedereen.

En, er zat een koppel Belgen met achter hun Mobilhome een mobiele garage voor een BMW R1200RS, die me op de koffie vroeg. Het lijkt na de vorige reis naar Spanje een traditie te worden om bij mensen met een motor in een aanhangwagen op de koffie te komen.

Wat zat die BMW fantastisch. De man deed zijn beklag dat hij niet veel met die motor op stap ging omwille van zijn rugproblemen. Ik raadde hem aan te ruilen met de Transalp, waar hij iets rechter op zou zitten. Een paar graden verschil kon al een andere wereld zijn, waarin ik de vergelijking maakte met mijn vorige CBR. Helaas, de mayonaise pakte niet.

Dan hadden we het maar over de verschillende streken en bestemmingen. Van Rovinj in Kroatië waren ze helemaal weg, wat me deed beslissen om de dag erop naar Rovinj te rijden.

Dag 4: Bohinj – Rovinj (Kroatië) – 253 km

Rovinj heeft een mooie jachthaven en een schattige kant met een oude kern van nauwe straatjes en schaduw. Op zich een gezellige plek, ware het niet dat het er buitensporig druk was. Het stadje zat overladen vol met toeristen. Uit het verhaal van het koppel in Slovenië had ik dat eigenlijk kunnen afleiden, maar hun enthousiasme was zo groot dat ik het als een must see beschouwde.

Ik nam er camping Marin, een luxecamping waar ik aan het onthaal ontvangen werd door baliebedienden alsof je in een vijfsterrenhotel had geboekt. Het terrein was enorm uitgestrekt, de plaatsen zo royaal dat je op één plaats een heel scoutskamp had kunnen zetten. Toch was de stijl van de camping eerder gericht op mastodonten van mobilhomes dan jongeren in uniform. Een motard met een kleine koepeltent was er de absolute uitzondering.

Als de hitte wat afnam, ging ik zwemmen in het lauwe water van de Adriatische Zee. Ik had nog nooit in die zee gezwommen. Ik kon me niet inbeelden dat dit mijn bestemming voor een week zou zijn, maar zo heel even was het toch erg genieten van een vakantiegevoel, gewichteloos gedragen door de natuurelementen.

Dag 5: Rovinje – Bibinje (Kroatië) – 368 km

De kustweg naar Zadar was een oven. De kilometers werden aaneen gereden met hardnekkig zweet onder het motortextiel. Nergens was er ook maar een streep schaduw.

Na lang zoeken vond ik een bank onder een boom. Mijn lunch bestond uit gekoelde driehoekige boterhammen op een warm rond pleintje. Als het van mij afhing, werd deze locatie beschermd door de Unesco.

Om later nog wat meer verkoeling te vinden, liet ik me overzetten naar het eiland Rab.

Het stadje Rab was vergelijkbaar met Rovinj, een beetje kleiner en vooral rustiger toen alle zonnekloppers in de namiddag op de stranden lagen.

In de wachtrij bij de overzet op de terugweg raakte ik aan de praat met een Kroaat, naast z’n camionette van Vaillant. hij was op weg was naar de volgende sanitaire stop. Hij beleefde en bekeek de wereld vanuit zijn Volkswagen, zonder elektronica, alles mechanisch, die altijd startte. 

In twee minuten had ik een halve liter Coca Cola Zero binnen om te kunnen weerstaan aan de warmte. Hij nam teugjes Slivovitsj en zei dat dit beter was dan cola tegen de warmte. Ook in de winter was het beter. Het is een all seasons-drankje.

Hij vertelde over de pracht van Kroatië, het mooie landschap en de feilloze corruptie van de politici. Als zijn politieke analyse over was, vroeg hij waarom er nooit motoren gebouwd werden op diesel naar analogie met zijn bestelwagen. Tja, waarom niet?

We namen de boot. Hij bleef achter het stuur. Ik waaide wat uit op het bovendek.

In Bibinje kreeg ik een plaatsje in een tuin van een huis met aansluiting op de zee. De camping was zo groot als twee staanplaatsen in de camping van Rovinj. We stonden er met vijfentwintig.   

Dag 6: Bibinje – Mostar (Bosnië) – 324 km

Sibenik, dat tijdens de Joegoslavische oorlog hard aangepakt is, was een leuke halte voor een ontbijt, wat croissants en een koffie of twee. Het was weg van de toeristische chaos. Sibenik is de plaats waar de gemiddelde Kroaat ’s morgens zijn pintje drinkt aan de kade in de haven. Er hing een gemoedelijke sfeer. Het leefde omdat er weinig te beleven viel.

Kort daarna zou de temperatuur weer klimmen naar de zesendertig graden. Ik nam de secundaire weg, parallel met de tolweg richting Mostar, waar je als motorrijder king of the road bent. Er was nauwelijks een voertuig te bekennen.

Het plan was de tent op te zetten en daarna Mostar te bezoeken. De genereuze verwelkoming op camping Blagaj, enkele kilometers van Mostar, besliste daar al tamelijk snel anders over. Bij ontvangst werd een stuk taart en een schotel meloen geserveerd, in combinatie met een drankje naar keuze. Ik nam een pintje.

Opgestaan om de tent op te zetten, riep de dame vanachter haar toog: ‘Second round of the house!’, en bracht me onmiddellijk het volgende glas bier. Daarmee – en vooral de alcohollimiet van 0,03% in Bosnië – kon ik mijn bezoek aan de stad Mostar wel vergeten voor die dag.

De prijs van de camping was minder dan de helft van Kroatië en de vriendelijkheid verviervoudigd. Op de camping kon je zwemmen in de rivier van twaalf graden en kon je gratis kajaks gebruiken om de rivier te gaan verkennen.

Na eenzelfde rijkelijke ontvangst had een Australisch koppel dat al veertien jaar in de UK woonde, ook afgezien van een stadsbezoek. Ze hadden dezelfde manier van reizen: een richting, geen concreet plan. Alleen, hadden ze wel wat meer tijd. Het was hun doel om met de auto na twaalf maanden via Iran in Mongolië te geraken. Ik deelde men hen de website van On her bike, een Australische – Poolse – dame die met een GS 800 een wereldreis aan het maken is en de omgekeerde richting heeft gedaan.   

Verder, maakte ik kennis met een Frans trio van twee bejaarde dames en een man, die vijf dagen Bosnië en nog vijf dagen Montenegro hadden gepland. Ze waren niet te spreken over de woekerprijzen die ze hadden moeten betalen in Kroatië. Onderweg – al in Bosnië – hadden ze een goot stuk, echt een groot stuk kaas gekocht aan een kraampje langs de baan. Op het moment van de aankoop waren allebei de partijen – zij en de verkoper – enorm gelukkig. Een half uur later hadden ze beseft dat ze dit niet konden koel houden. Het aanbod had zo aanlokkelijk geleken. Zoveel fromage voor zo weinig geld. Ze waren nu druk in de weer om via Google op hun smartphone te zoeken naar een middeleeuwse techniek om de kaas te laten drogen.

De avond passeerde langs nog meer pintjes en een uitwisseling van reiservaringen met de Australiërs.

Dag 7: Mostar – Foca (Bosnië) –  171 km

Na een koffie bij de Franse buren nam ik er nog enkele aan de bar om de Kroatische Kuna’s kwijt te geraken.

‘The coffee is from the home, of course,’ zei de barman, toen ik wou afrekenen.

Met de Kuna’s over, reed ik tegen negen uur richting Mostar. Het was moeilijk wegkomen van dit kleine paradijs, dat deze camping was. Telkens als je plannen had, serveerde men iets nieuws, dat je uit beleefdheid moeilijk kon afslaan. Dit, voor een land die het financieel stukken moeilijker heeft dan Kroatië. Dit zag je aan de huizen en aan de auto’s. De Golf II was hier nog volop in trek.

Mostar zelf kende de toeristische drukte van Kroatië. Om een glimp op te vangen van de gerestaureerde brug, die in november 1993 opgeblazen werd, werd je geloodst door een toeristisch wandelgebied waar je vrachtwagens vol souvenirs kon kopen. Toch was er op een wandelafstand van één minuut nog te zien hoeveel er niet gerestaureerd was na de verwoestende oorlog, die vooral rond Mostar gestreden werd. Mostar draagt nog altijd vrij veel en diepe littekens van die gruwel.

Mostar gezien, stelde ik de GPS in op de Tarabrug over de gelijknamige kloof in Montenegro.

De weg was lange tijd goed en het rijden ging gemoedelijk tot ik op een weg van grind kwam, die …

terstond helemaal offroad ging.

Pas na enkele kilometer zag ik op de gps dat dit liedje nog zo’n twaalf kilometer ging duren. Hoe verder ik kwam, hoe minder mogelijkheden er waren om te keren. Met weinig offroad ervaring haspelde ik voorzichtig die afstand af. Dan bleek dat die twaalf kilometers slechts een aanduiding waren tot een volgende splitsing. De splitsing voorbij kwamen er op de Tomtom vijftien vervolgkilometers, daarna – na de volgende splitsing – nog eens zesentwintig. Hemeltje!

Intussen zat ik wel op de toppen van de bergen met een grandioos uitzicht, waar het terug overging naar grind.

De eerste halve liter angstzweet had intussen plaats gemaakt voor een halve kilo enduro-competentie. Ik ontdekte niet alleen de geneugten van een 21 inch voorwiel en een lichte motor, ook het comfort van vaart te houden. De youtube-filmpjes van Transalpen en Africa Twins – weg van de weg – waren een plotse realiteit geworden. En, het viel al bij al best mee.

Terug op het asfalt voelde alles licht.

Donder en bliksem! Het kwam kwam met en snelheid van een trein dichterbij en het ging nogal een trein. Hectoliters water overspoelden de straten. Na een half uur wachten onder wat struiken langs de flank van een heuvel, had het schuilen alle nut verloren.

Ik was nat tot op het vel. De doorwaaijas voelde als lood. Omdat je niet natter dan nat kan worden, besloot ik door de aanhoudende regen terug te keren naar het vorige dorp, dat in de terugrit verder bleek te liggen dan de rit ervan weg.      

Ik stopte aan een drankgelegenheid met een leeg terras dat op het eerste zicht gesloten leek. Toch afgestapt, wat gekeken of er binnen geen beweging was, duwde ik de geblindeerde deur open. De mijne en ook de verbazing van de twintig Bosniërs, die daarbinnen aan het gokken waren via een internetsite op een groot scherm, was even groot. Wie kwam er hier aangepoeld?

Druipend en druppelend, doorweekt, vroeg ik een koffie. Niemand, ook de barvrouw niet, sprak iets anders dan Bosnisch. Op de zetels gaan zitten, durfde ik niet in mijn toestand. Af en toe lachte er iemand me toe, bij wijze van minimale communicatie tussen twee lotto-trekkingen door. Hadden ze dan niets gewonnen, dan waren ze toch blij van binnen te zitten in de hondenweer. Zo zag het ernaar uit. 

Toen het tikken van de regen tegen de ruiten afnam, vroeg ik af te rekenen. Ik kon nog betalen in Kuna’s of in Euro’s. De barvrouw weigerde iets te ontvangen. Hoe meer ik insisteerde om toch te betalen, hoe harder zij hetzelfde deed om dat niet te doen. Ik was een beetje vergeten dat ik in Bosnië was, waar de gastvrijheid weinig grenzen kende. Het was bovenal duidelijk dat ze geen geld wou. Het geloof in het spel dat ze diezelfde dag miljoenen Bosnische Marken zouden winnen had de overhand. Ik bedankte haar hartelijk voor de koffie in een voor haar onbekende taal. Veertig ogen begeleidden mij naar de voordeur en richtten zich nadien wellicht helemaal terug op de vallende getallen.  

Op de gps vond ik geen uitweg. Uit niets bleek dat ik via asfalt in Montenegro zou landen, zelfs niet via een omweg van vijftig kilometer. Het offroad rijden was bijlange nog niet gedaan. Alleen, had het intussen geregend en waren de pistes veranderd in modderpaden, waar de Anakee’s van de Transalp niet zo dol op zijn. Het profiel van de banden bestaat niet uit noppen en glijdt door op een zachte gladde ondergrond.

Dit was enduro op het hogere niveau, met natte ondergrond. Net zoals op het eerste niveau gingen de eerste kilometers heel secuur, eigenlijk veel te traag. In de helft van het traject – eerst zeven kilometer op het scherm, die er achteraf en na splitsingen vierentwintig bleken – begon het opnieuw te regenen. Met een nochtans strakke concentratie op de stenen, meter per meter, spookte een artikel van wereldreizigers door mijn hoofd waarin ze schreven dat het niet de vraag was of je met de motor al of niet zal vallen, maar de vraag eerder was: wanneer en hoeveel keer de motor tegen de vlakte zou gaan. Het probleem van te traag offroad rijden is dat je begint na te denken.

Met de laatste haarspeldbochten, die de venijnigste waren, met een kras op de Heavy Duties, maar zonder kleerscheuren kwam ik terug op het asfalt. Ik was verkleumd. De koude en het natte pak deden mijn handen gevoelloos worden. Ik was met moeite nog in staat om te ontkoppelen.

Nog geen Montenegro, nog steeds in Bosnië, nam ik het eerste hotel dat ik tegenkwam. Ik vond motel Bavaria. Volgens de borden langs de weg was het een motormotel, wat dit ook mocht wezen. Bij aankomst waren er geen motoren te bespeuren, wel een warme douche. Meer had ik niet nodig.  

In plaats van motorrijders zaten er enkele Arabieren, waarvan de mannen gewoon gekleed waren in short en t-shirt, aan het tokkelen op hun smarthphone, en de vrouwen in boerka’s. Bij het eten zat ik één tafel van hen verwijderd. Om een kippenlapje naar binnen te spelen moesten de vrouwen steeds het servetje van de boerka voor hun mond omhoog houden, waardoor hun gezicht niet meer helemaal bedekt was. Je zag dat iedere hap enigszins zondig was en inging tegen het boerkaprincipe. Ze aten zenuwachtig in kleine brokjes. Het leek echt niet gemakkelijk, zo’n boerka. Of, is dit een kwestie van gewenning, zoals dat met offroad rijden gaat?

Dag 8: Foca – Morinj (Montenegro) – 287 kilometer

Om Bosnië te verlaten had ik een grenspost die bestond uit een straatje van oude frietkoten met op het einde een bareel. Tussen de koterijen stond een dieselgroep om elektriciteit te maken van de UN, die best nog wel eens zou kunnen dateren van de periode van de oorlog. Het kan aan hun infrastructuur hebben gelegen, maar de douaniers en politieagenten zagen er allemaal depressief uit. Ze controleerden op routine, zelfs de groene kaart, alsof ik in de laatste meter Bosnië nog iemand zou kunnen aanrijden.

Aan de kant van Montenegro was het langer aanschuiven. Daar moest er een stempel in het paspoort komen. Hoewel Montenegro al sinds 2010 kandidaat-lid is van de Europese Unie, is het nog steeds geen volwaardig lid. Hun munt is wel de euro.

Tijdens het wachten raakte ik aan de praat met twee Slovaken op de motor, die in vier dagen naar de Tarabrug reden en terug. Ze zetten er vaart achter.

Na de stempel wachtte een landschap dat werkelijk verbluffend was. Ik begreep waarom de Slovaken net hiet hun eindbestemming hadden gekozen. De kloven, de bergen, de dalen en de toppen, na iedere bocht was het niet alleen subliem om zien, het was ook telkens weer helemaal anders.

De panoramische route in het Noorden is een aanrader voor iedere motorrijder. Zo mooi!

Zo ging het door tot een stuk voor de Tarabrug, die spectaculair is, maar slechts een toeristische attractie in vergelijking met de route die eraan voorafging.

Al waren de Montenegrijnen met slechts zeshonderdveertigduizend, velen ervan werkten bij de alomtegenwoordige politie, die veelvuldig controleerde op snelheid en op papieren. Deze agenten zagen er niet uit alsof ze even wouden weten waar je naartoe ging. Het waren geen Oostenrijkers. Als er gestopt werd, werd er meestal ook geschreven. Zaten ze in de wagen, dan hielden ze er dikwijls een kat-en-muis-spel op na door kort achter je te rijden om je wat op te jagen of extreem traag te rijden langs een witte lijn. Ik kan dit moeilijk anders verklaren dan het uitlokken van overtredingen, al kan dit ook een hoogstuitzonderlijke meerdere-momenten-opname van die dag geweest zijn.       

Ik nam de camping in Morinj, niet ver van Kotor, dat aan een fjord ligt.     


Dag 9: Morinj – Vrinë (Albanië) – 496 km

De weg langs de zee in Montenegro was vergelijkbaar met die van Kroatië. Best wel leuk, maar na de eerdere superrit toch van een lagere klasse dan wat er in de bergen te beleven viel. De route scoorde eerder in haltes dan in rijplezier.   

In Albanië duurde het tot Vlorë om de reis te kunnen verderzetten langs de kustweg. Het was een lang stuk rechte drukke baan, met langs de weerszijden veel vuiligheid. Er waren de bedrijven die autowrakken verzamelden, die oude banden inzamelden, behoorlijk wat onafgewerkte bouwwerven en vooral heel veel benzinestations, ongelooflijk veel benzinestations. Soms sneuvelde er ook wel eentje onder de hevige concurrentie en lag er dan geruïneerd bij als een metalen skelet, met alleen nog wat betonnen grondplaten, pompeilanden en een verroeste luifel. De economische ellende van het land etaleerde zich over lange afstand.  

Om in Vlorë – dat in een vlakte ligt – te komen, was het vooral zaak om af te rekenen met enorme windstoten. Het was sleuren en trekken om de Transalp op het rechte pad te houden. Eens Vlorë voorbij, kronkelde het asfalt zich terug een weg langs de Adriatische Zee, met haar mystieke, nevelige horizon.

Bij gebrek aan campings bleef ik doorrijden. Af en toe dook er eentje op, maar die was meestal helemaal leeg en bestond uit een bodem van steenpuin, of dan was er weer één langs een drukke weg, verdoken van al wat mooi was. Zo stond ik, voor ik het goed en wel besefte in Sarandë, helemaal in het Zuiden. Velen wachtten er de toeristen op om kamers te verhuren en klaarblijkelijk waren er veel meer kamers dan toeristen. Zo’n kamer was ook een mogelijkheid, maar ik reed nog een stuk door, in de hoop toch een plaats te vinden om te kamperen. Vrij kamperen is toegestaan in Albanië.

Toen de avond begon te vallen kwam ik op een doodlopende weg, waar een overzet bleek naar het nog zuidelijker National Park. De lokale ‘schipper’ overhaalde me om het veer te nemen, wat amper twee euro (voor toeristen) kostte en een besparing was van veertig kilometer als ik aan de overkant zou willen komen. In één, twee, drie stond de motor op het pont. Toen het veer in beweging kwam, begon het tot me door te dringen dat ik niet meer had getankt en ik nu in de richting van een natuurgebied ging. In een land dat vol zat van de tankstations zou ik hier nog wel eens leeg kunnen rijden. De avond viel. Ik had nog weinig brandstof en helemaal geen slaapplaats.

Het duurde luttele kilometers of ik was in Vrinë, waar een bord stond met daarop camping. Camping was een groot woord. Het was veeleer een disteltuin met langs de zijkanten wat stopcontacten achter een betonnen café. Ik mocht staan waar ik wou, hoefde geen administratieve inschrijving te doen en er was bovendien een bar. Wat wil een mens nog meer?

De bar had vrij veel stoelen en weinig tafels. Een groepje van vijf dorpsbewoners nodigde me uit bij hen te zitten. Twee ervan spraken Engels. De ene werkte in Pescara (Italië) in de wijnbouw samen met een neef. De andere zag de moeilijke procedure om een buitenlandse werkkaart te krijgen niet goed zitten en had er een paar jaar geleden niets beter op gevonden dan politiek asiel aan te vragen in IJsland. Hij had er geen rekening mee gehouden dat politiek asiel voor een inwoner van een kandidaat-lidstaat binnen de EU wat moeilijk lag bij de IJslanders. Na twee dagen Reykjavik stond hij terug in Tirana en mocht hij zijn paspoort voor twee jaar inleveren.

Jongeren trekken de wijde wereld in, weg van Albanië, omdat er geen werk is. Vinden ze toch werk op eigen grondgebied verdienen ze vaak zes euro per dag. De benzine kost er anderhalve euro per liter.

De avond ging op in veel culturele uitwisseling. Een betere avond dan dit had ik me niet kunnen voorstellen.

Dag 10: Vrinë – Meteora (Griekenland) – 220 km. 

Om vier ’s morgens blafte een hond en maakte de haan wakker. Die begon te kraaien. Daarop miauwde een kat, die een andere hond deed blaffen en door de eerste hond beantwoord werd met nog luider geblaf. De haan bleef kraaien. Tien minuten later waren alle krekels wakker en begonnen de vogels te fluiten. In de tent begon een mug te zoemen op dit beestelijk vroeg uur.    

Om zes uur zat ik op de motor en goed een half uur later stond ik aan het eerste tankstation in de richting van Griekenland, het laatste van Albanië. Nog voor zeven uur was ik in Griekenland, waar het uur versprong naar acht en ik moest beslissen welke kant ik uitging. Ik was tot laat met de Albanezen blijven praten en had geen kaarten meer bekeken.

Corfu was een mogelijkheid. Verder doorrijden naar Athene was nogal rechtdoor om enkel een Acropolis te zien. Overzetten naar Italië was volgens de weerkaarten de zonnigste optie. Sicilië leek me wel wat. Uiteindelijk reed ik naar Meteora, met haar kloosters op hoge rotsen.

Ik logeerde in The Cave Meteora, een camping met een zwembad en een grappige uitbater. De hele dag door liep hij te zeggen dat hij veel werk had. Dat had hij ook. Tenminste, hij deed veel verschillende dingen in de driekwartier dat ik hem observeerde. Met z’n brommer deed hij eerst een ronde om te zien of alle vuilbakken vol waren. Dan deed hij met een oliespuit en een hamer het onderhoud van zijn quad, serveerde tussendoor nog een bestelling aan de bar, om daarna met een kar aan zijn quad alle vuilbakken – vol of niet vol – te gaan ophalen. Dan ging hij weer tekeer met zijn oliespuit en zijn hamer op de bromfiets. Alles wat hij deed, legde hij ook uit voor zichzelf of aan wie het horen wou.

In evenveel tijd als hij het technisch nazicht van zijn motorpark uitvoerde, had hij destijds ook alle gebouwen voorzien van een duidelijk label en voor wie ze bestemd waren.

Later in de namiddag kwam er een Roemeen met een Honda NC700 oprijden. We zetten ons bij elkaar, wisselden van gedachten en evalueerden verschillende routes. Hij gaf tal van tips voor Roemenië. Op mijn vraag hoe het daar zat met de beren, gaf hij aan dat hij meer schrik had voor de giftige slangen. Wat een geruststelling!?

Om tien uur ‘s avonds kwam de eigenaar van de camping nog eens uit het sanitair blok met een hamer. Opnieuw had hij iets gerepareerd of preventief onderhouden. Nooit had die man gedaan.

Dag 11: Meteora – Kalista (Noord-Macedonië) – 341 km

De eerste negentig kilometer reden Andrei – de Roemeen – en ik samen. Daarna ging hij richting Bulgarije, ik richting Noord-Macedonië.

In Noord-Macedonië keken de mensen nors, reden de boeren op afgeleefde tractoren en had je langs de weg terug de talloze autokerkhoven, zoals je ze ook in Albanië had.

Hoewel de wegeninfrastructuur algemeen genomen best goed was, waren er ook lange stukken op kasseien.

In de andere landen had ik al koeien, paarden, ezels, honden, schapen en geiten op weg gehad. Hier staken regelmatig schildpadden over met dezelfde snelheid van de tractoren.

De ontvangst op camping Miro met een Raki en een mini cappuccino deed Bosnisch aan en stelde meteen mijn eerste indruk van norse mensen bij. Het Ohrid-meer had iets Japans.

Een jong Belgisch koppel had buiten deze plaats ook op de camping in Blagaj gestaan en vertelde hetzelfde verhaal van de onmetelijke gastvrijheid en het onthaal met fruit, taart en bier. Alleen, zij hadden geen Fransen tegengekomen die een te grote homp kaas hadden gekocht, waar ze geen weg mee konden.

Met een Catalaans gepensioneerd koppel kon ik een uurtje Spaans oefenen en ontdekken dat ik de verleden tijden van de werkwoorden al sinds begin juni niet meer aangeraakt had en ze daarmee ook zo goed als verleden tijd waren. 

Dag 12: Kalista – Vranje (Servië) – 289 km

De weg van het Ohridmeer naar Skopje door het rivierdal tussen de bergen, het dichtst bij de grens met Albanië, was voor de eerste honderd kilometer een fijne slingerende rit. Daarna ging het voornamelijk vlak naar de Skopje, de eerste stad die ik op deze reis bezocht.

Skopje is een stad van beelden en mooie gebouwen, waar oude en nieuwe architectuur hand in hand gaan. Oude figuren uit de mythologie tot schrijvers en schilders, of wie in de voorbije jaren ook maar iets speciaal heeft gedaan, werden hier in brons gegoten. De grote openbare gebouwen zijn opgetrokken in statige zuilenpartijen alsof het lijkt dat de oude Grieken ze hebben gebouwd. Toch is de stad slechts een heropgebouwd geheel van na de grote aardbeving in 1963, die toen zo goed als alles verwoestte.

Zelfs de oude bazaar die al in de twaalfde eeuw bestond, diende volledig heropgebouwd te worden.

Dag 13: Vranje –  Mehadia (Roemenië) – 515 km.

Weinig te beleven langs landelijke wegen, nam ik door Servië voornamelijk autosnelwegen om zo snel mogelijk in Roemenië te zijn. De grenslijn die door de Donau gevormd wordt tussen beide landen, was daarentegen wel de moeite.

Voor de avond nam ik een kleine tussenstopcamping bij een Duitster die miniatuurautootjes verzamelde, en ging eten in een routier, waar de camioneurs van het gaspedaal kwamen en elkaars verhalen beluisterden. 

Op de camping stonden twee Finse zussen die in april een oude mobilhome hadden gekocht en sindsdien vertrokken waren in de richting van Griekenland. Slenterend waren ze door de Baltische Staten via Polen naar Duitsland getrokken en hadden daarna zowat hetzelfde traject afgelegd dat ik in twee weken had gedaan. In Oostenrijk waren ze tweemaal tegengehouden door de politie. Een keer wou een agent de badkamer van de mobilhome zien. De andere keer wouden ze de documenten van de wagen zien. Daarna werden ze in al die tijd geen enkele keer meer tegengehouden. 

Voor het eerst in al die maanden stonden ze met andere Finnen op eenzelfde camping (en tegelijk een Belg), wat met z’n vijven moest gevierd worden met wijn en iets later op de avond met Koskenkorva, een traditionele Finse drank die wat op Vodka lijkt.

Dag 14: Mehadia – Curtea de Arges (Roemenië) – 276 km

Het National Park van Domogled-Vaela Cernei Ranca voorbij, reed ik verder via landelijker en plattere wegen naar Curtea de Arges. Mooie route, waarin ik een authentiek Roemenië leerde kennen, met dorpen die zeer gelijkend waren aan elkaar en meestal bestonden uit losstaande huizen, die telkens helemaal omheind zijn. Frequente combinaties van paard en kar met nummerplaat waren fraaie hindernissen op de route.        

Op voorhand had ik uitgevlooid dat ik op de camping in Curtea de Arges moest zijn. De ligging was niet alleen ideaal voor de Transfagarasan, ook voor de Transalpina. Bovendien had de man van de camping er redelijk wat KTM’s staan voor georganiseerde offroad-tochten door de bergen, en kon hij misschien wat advies geven om te toeren. Ik heb de man nooit gezien. Hij was net gaan crossen met een groep.

De camping had geen grote luxe, maar was wel vrij idyllisch. De keuken en living waren vrij toegankelijk en werden gedeeld met de eigenaars. De sfeer was er eenvoudig en gemoedelijk, vredig door de kleinschaligheid. Chill, zeg maar.

Dag 15: Curtea de Arges – Curtea de Arges – 278 km

Het weerbericht stond op wisselvallig. Tussen zeven en negen zou het licht regenen, met daarna opklaringen en over de middag nog wat buien. Om zeven uur vielen er effectief wat druppels, maar omzeggens niet iets wat je nu echt regen had kunnen noemen. Waren die weerberichten altijd wel zo precies?  

Ik waagde het erop en begon de Transfagarasan met de bedoeling via Brasov terug te keren. De opklaringen waren niet meer dan een garnituur om het weerbericht wat op te vrolijken. Van begin tot einde heeft het geregend.

Ik heb de Transfagarasan gereden in etappes van tien kilometer, waarna het telkens nodig was om de handen op te warmen aan het motorblok en terug gevoel in de vingers te krijgen. De nattigheid tot daar, het was vooral de koude die parten speelde, en alleen maar erger werd op grotere hoogte.

Dat afzien gaf het een groter expeditie-gehalte, waardoor de route nu onuitwisbaar in mijn geheugen staat getatoeëerd. In het mechanisme van de herinnering wordt elke temperatuur geneutraliseerd. Zodoende hebben de vele vloeken langs de kant van de weg plaats geruimd voor fierheid op de prestatie. Het was de moeite! 

Het beste van wat Ceaucescu achterliet, was de Transfagarasan. Al heeft ook dit project veertig soldaten naar het hiernamaals gestuurd tijdens de aanleg ervan.


Dag 16: Curtea de Arges – Timisoara (Roemenië) – 452 km

Niet alleen de Transalpina, maar ook de weg er naartoe had bijzonder veel bochten en mooie landschappen. Waar ik voordien, behalve op de Transfarasan, niet bijster veel motoren tegenkwam op de gewone Roemeense wegen, waren ze er op de Transalpina allemaal.

En, de zon scheen!

Ik reed tot in Timisoara.

In Timisoara – Europese culturele hoofdstad in 2021 – nam ik een hostel, op de verkeersvrije rand van de binnenstad, waar net een muziekfestival bezig was. Zowel ‘s avonds als ‘s morgens straalde de historische kern van de stad een heel ontspannen sfeer uit met haar brede wandelstraten en open pleinen.

Timisoara is de stad waar de opstand tegen Ceaucescu begon (15 december 1989) en de tweede stad in de wereld die – na New York – elektrische straatverlichting had (12 november 1884).


Dag 17: Timisoara – Budapest (Hongarije) – 334 km

Aan de grenspost zat er weinig schuif in. Alle koffers van auto’s gingen open, niet om te zien of er onterecht goederen geïmporteerd werden, maar om te zien of je geen illegale vluchteling over de grens zette.

Langs de Roemeense kant werd ik door een douanier uit de rij geplukt. Ik mocht helemaal naar voor rijden, wat aanvoelde zoals je in de lagere school naar het bord moest komen om een oefening te maken. Dat kon twee kanten uit: een moment van glorie of de complete afgang.

Vier keer is hij rond de motor gegaan, de jonge douanier. Twee keer heeft hij de documenten gecontroleerd en het leek alsof hij iets wou zeggen waar hij de woorden niet voor had. Oostenrijk had bewezen dat weinig communicatie de betere communicatie was, als het een gesprek met een man in uniform betrof. Bij gebrek aan woordenschat en aanmoediging van mijn kant, haalde de grensambtenaar na nog wat draaien en twijfelen rond de motor zijn mobieltje uit en toonde mij zijn Yamaha R1 op foto. Ik zei hem dat zo’n R1 geen motor maar een straaljager was, en bewoog mijn hand in een curve naar boven terwijl ik het het geluid van een F16 nabootste. Hij glunderde. Zijn ogen fonkelden vanonder zijn kepie. Zijn lach trok breder dan wanneer hij twee extra strepen op zijn uniform had genaaid gekregen. Er hoefde niets meer gecontroleerd te worden.

De douanier aan de Hongaarse kant was niet zo’n motorfan. Ik kon direct doorrijden na de paspoortscan.

Van Hongarije wist ik dat het overwegend vlak was en ik niet moest rekenen op veel bochten. Om de saaiheid van rechte lijnen te doorbreken, nam ik de secundaire wegen. Op wat dorpskernen na, gingen die ook vlot en zo zag je nog wat.

Langs velden vol zonnebloemen, die hun koppen lieten hangen en naar mijn banden keken, ging ik linea recta naar één van de motorshops in Budapest.

Wat spray voor de ketting had ik nodig, en zeker ook een regenpak met handschoenen. De verkoper haalde zo’n grote overall uit een veel te klein zakje en deed er vijf minuten over. Hij maakte er geen probleem van als ik nog een model kleiner wou passen. De dame achter kassa deed er het dubbele over om de overall weer in het veel te kleine zakje te plooien. Met een marge van vijf minuten was ik vanaf nu beschermd tegen druppels en onweer.

Budapest had ik al in kleine flarden wel en in grotere flarden niet gezien. Ik was er al regelmatig geweest, maar had de stad nog nooit ten gronde bezocht. Die traditie hield ik in ere en spaarde deze hoofdstad voor een eventuele latere citytrip.

Ik kampeerde in het Bikercamp, een camping uitsluitend gericht op tweewielers: fietsers en motoren. Dat stond zeer explicitet op de website. De kampeerplaats was een tuin van een huis. Decathlon had er het grootste marktaandeel koepeltenten. De fietsers waren in de meerderheid. De grote uitzondering was een overspraakzame Engelsman die er met een gele twee pk – dus vier wielen – door de mazen van het net was geglipt. De campingeigenaar, die anders nogal principieel en eerder van het dwangneurotisch type was, moet gezwicht zijn voor de inkomende euro’s die zwaarder doorwogen dan zijn eigen regels over de camping. Een vierwieler toelaten betekende namelijk een overtreding van zijn campinggrondwet, die meteen alle andere regels – dat waren er een behoorlijk aantal – op losse schroeven zette.

De eigenaar had via de verspreiding van regels en instructies over zijn hele tuin een campingreglement in elkaar gestoken dat sterker was dan ieder ander Hongaars bureaucratisch systeem. Op die manier had hij zichzelf overbodig gemaakt in alle verdere communicatie, want alles was op elk moment en overal duidelijk. Alleen, moest hij het naleven van de regels stringent en courant controleren, wat hij met veel graagte en opwinding deed. Hij was flink aanwezig.

Wou je hem nu een slapeloze nacht bezorgen, dan hoefde je maar wat te voetballen tussen de tenten en te verwijzen naar het feit dat je op deze camping kwam omdat er alleen tweewielers zouden zijn en zeker geen gele geit (eend, in sommige landen). Dan sloeg ie zo in een knoop.

Enfin, leuke camping!

Budapest is geen Walhalla voor fietsers. Het gemotoriseerde verkeer was er druk en de fietspaden korte eindjes om slechts even op adem te komen na het standvastig invoegen, toevoegen en tussenvoegen in het andere verkeer. Als fietser had je beter een koppel extra ogen op de achterkant van je hoofd om de stad te overleven.

Dag 18: Budapest – Turany (Slovakije) – 462 km

Van vlak naar glooiend tot heuvelachtig ging de rit naar het Tatragebergte in Slovakije, een overzichtelijk berggebied met prima groene baantjes op de Michelinkaart.

Het was een plezier om er te rijden.

Via een onverwachte wegomlegging kwam er zelfs nog een afstandje Polen bij.

Dag 19: Turany – Cerna Louze (Tsjechië) – 438 km

Behalve de aankomst in de Noord-Bohemen met dartele herten in goudgele velden had Tsjechië op motorgebied weinig te bieden.

De tijd was gekomen om naar huis te gaan. De plaats was belangrijker dan de weg geworden, tegen het concept van de reis in.

In Cerna Louze werd uitsluitend Tsjechisch gesproken. Sinds WO II had men er de Duitsers, die eerder in het dorp woonden, stelselmatig verdreven. Ik heb het zelf kunnen verifiëren dat dit succesvol verlopen is. Op de kleine camping werden cijfers via een rekenmachine duidelijk gemaakt, terwijl de keuze uit de menukaart volgens de vogelpikmethode verliep. Niemand sprak iets anders dan Tsjechisch.

Dag 20: Cerna Louze – Gent – 1.003 km

Na een laatste aanblik op Oost-Europa bij het krieken van de dag, vertrokken.

Op omleidingen en afleidingen van de autostrade na, rechte routes. Uren gereden en terug thuis gekomen.

Tijd voor een oliewissel!