Ardennen – Semois – 2 dagen

Ik herinner me de geur van zachte wafels in de vroege vroegte van de morgen. Over de Semois dampte een sprookjesachtige nevel.

Ik moet zeven of acht jaar geweest zijn, toen we bij ons thuis voor het eerst op reis gingen. Mijn vader mocht voor een drietal dagen de witte Ford Transit van zijn werk gebruiken. Hij nam er alle rekken, wisselstukken, slangen, sleutels en tangen uit. Hij installeerde een dubbele matras, die nagenoeg de hele laadruimte bedekte. Langs de zijkant was er nipt plaats voor wat plastic zakken met kleren. Tegen de achterdeur drukte een kartonnen doos proviand. Onze reisformule zat tussen wild kamperen en rustig parkeren.

Later was er het zomerkamp met de mutualiteit in Heer, overladen met onnozele spelletjes. Er was het eerste tentenkamp met de scouts in Chassepierre, waar een groot deel van de wereld voor mij openging. Op winterbivak in Spa was er de bitterkoude nachtwandeling, hand in hand met het meisje dat mijn eerste vriendinnetje zou worden. Er ging nog meer open. En, op vijftien jaar fietste ik samen met een vriend naar La Roche. Voor het eerst op eigen houtje en ongeorganiseerd weg van huis.

De Ardennen hebben vele eerste keren gemarkeerd.

Via de Franse Ardennen naar die van ons

Bij een schrale ochtendzon en in de uitslapende stilte van onze straat trok ik aan de hendel van de choke. Ik startte de motor en gaf mijn Alp de sporen. Via Geraardsbergen, Ath, Mons, naar Les Lacs de l’Eau d’Heure, om vanaf daar uitsluitend op de groene baantjes van de Michelinkaart te rijden. Dat was het doel.

De Plate Taille – waar ik ook de platte batterij van mijn fototoestel ontdekte en aangewezen was op mijn gsm om toch nog wat kiekjes te maken – bleek niet meer of niet minder dan een drukbezocht recreatieoord voor jonge gezinnen. Even vlug als ik afgestapte, stapte ik weer op. Wat een gejoel, en wat voor contrast met de absolute stilte rond de abdij van Chimay in Scourmont. Van Scourmont ging het naar Rocroi, met haar oude kern en levendig marktplein. Hoewel de plaatselijke kampeerders een soort middeleeuwse heimwee binnen de veilige stadsmuren tentoonspreidden, werd Rocroi pas in de zestiende eeuw een omwald bastion. Die middelste eeuwen waren toen net gedaan. Of je nu in tuniek met sandalen gekleed was of in een te warm motorpak, de moeite om er even rond te lopen.

Vanuit Rocroi, via La Vallée de Misère naar Revin viel best mee. De miserie begon in Revin, waar ik om één of andere reden op de D988 terechtkwam in plaats van de bedoelde D1 langs de Maas. Ik had het kunnen weten, aangezien ik begon te klimmen, weg van de vallei. Maar ook die route heeft meneer Michelin groen ingekleurd, waardoor deze kleine détour allerminst te betreuren viel. Via Deville terug op het kronkelende spoor, van de Maas naar de Semois, reed ik terug België binnen. Het mankeerde niet aan mooie uitzichten, noch aan bochten. Tevreden pootte ik de motor neer aan het terras van café L’enclos in het toeristische Bohan.

Le Jardinet

Met een abdijbrood, een stuk en een fles Chimay uit de lokale supermarkt kwam ik vroeger dan verwacht op de camping in Membre aan. Het bureau van Le Jardinet bleek potdicht en op het vermelde gsm-nummer en cas d’absence was er geen gehoor. Na wat rondvragen bleek de eigenaar zelf met vakantie te zijn. Een mens staat er niet genoeg bij stil dat campinguitbaters ook vakantie nemen, zelfs in het hoogseizoen?!

Een gebronzeerde sympathieke dame van goed boven de zestig, met zichtbaar vele zonuren voor haar stacaravan, nam me mee naar Christian, die in de moestuin van de camping zijn overgewicht uitzweette. Christian, die tijdelijk de chef van de camping was, een vriendelijke man, liet onmiddellijk alle tuingereedschap vallen en begeleide me terug naar het gesloten ontvangstkantoor. Om het gesprek op gang te trekken, zei ik hem dat het een mooie camping was, waarop hij antwoordde dat het er inderdaad rustig was.  Nadat hij het invulformulier en een briefje van tien had ontvangen,  kon ik zelf kiezen waar ik zou staan. Toen ik vroeg of het rustig was dichtbij het water van de Semois, zei hij dat het er mooi was.

Geïnstalleerd

Er is niet veel nodig om te wonen. Iemand die ‘hier’ zegt tegen het onmetelijke.

Herman de Coninck

Kwart na vier woonde ik vredig aan de Semois. Heerlijk! Ik nam mijn boek, las aan één stuk door, nam het brood en de kaas, en maakte de fles Chimay soldaat. Pas wanneer het begon te schemeren wandelde ik nog even via het pad langs de stroom, met zicht op de sloppenwijk aan de rand van de camping.

Uit een aanmanend bord van de gemeente Vresse bleek dat je zelfs op een camping zonevreemd kon staan op straffe van dure procedures voor de bevoegde rechtbank, voor wie niet van plan was de sloophamer in het niet vergunde buitenverblijf te zetten.

Op het uur dat June startte om de nacht te verplegen, kroop ik in de tent, las nog wat verder  en kabbelde op het ritme van de Semois dromenland binnen. Niets voor June, dat kamperen. Ze vindt dat dat meer iets is voor jongere mensen. Met geen tentstokken, zelfs niet met de beste poëzie is ze te overtuigen. Maar, we zijn allebei gelukkig in het compromis, dat ik mijn nomadisch bestaan met de tent spaar om alleen te reizen.

Het was de peuter van de buren die om zes uur dertig ’s morgens zijn keel openzette en me uit de donsveren van mijn slaapzak hielp.

De mooiste route

Iets na zeven ronkte de motor, op weg naar Bouillon. Vresse, Alle, Rochehaut, … geen kat te zien. Iedereen sliep nog. Wat een feest om richting Bouillon te rijden. Alléén op de baan, op en neer, van links naar rechts, de ene bocht na de andere. Spontaan schoot me de Marie-Louise van Bart Kaëll te binnen, iets waar ik anders in geen honderd jaar aan zou denken. De Metzelers van mijn gemotoriseerd paard waren in al hun nopjes. Iedere motorrijder zou deze route minstens één keer moeten gedaan hebben.

Hoewel mijn benzinemeter al tegen het rood aanleunde, besloot ik toch nog af te slaan naar Frahan. Frahan is een mooi dorp, waar de postbode wellicht stevige kuiten heeft aan de helling van de straten te zien.  De benzinemeter trok duidelijk in het rood bij het stijgen, danste er iets boven bij het dalen. Ik zou het wel redden tot Bouillon, dacht ik. Aangekomen in Bouillon, de hele stad doorkruist, maar geen benzinepomp te bekennen. Een lederen motard met een Yamaha R6 hielp me tenslotte op weg naar de N89. Aan Ardeens tarief – toch wel iets duurder – kon ik bijvullen. Ik werd de wetenschap rijker dat ik in het rood toch nog over tweeënhalf liter kan beschikken.

Van Bouillon naar Orval

Na het chateau, waar Godfried wegkijkt van de stad om aan zijn kruistocht te beginnen, slingerde ik met een volle tank door naar Herbeumont. De oorspronkelijke bedoeling was om het graf van de reus te doen. Omwille van de mist, die ook over Bouillon hing, was de kans vrij reëel dat de reus nog onder een vochtig wit deken lag en ik er maar weinig van zou zien. Nu ik toch zover was, waarom niet nog een keer naar Chassepierre?

Naar de locatie van het vroegere scoutskamp gereden en het terrein afgestapt, waar we ooit de volle tien dagen dolle pret en bijzonder veel avontuur hebben beleefd. In al mijn nostalgie vergat ik een foto te nemen. Wie er passeert, zeker de moeite om de tijd nemen en het dorp te bezoeken. Un des plus beaux villages de Wallonie.

Nu ik dan toch zover was, waarom ook niet Orval? Orval, dus. Dat monniken veel tijd hebben om na te denken, blijkt uit het feit dat ze aan alles gedacht hebben, zo ook een parking voor motoren. Zo lief!

Rond de abdij was er tamelijk wat volk op de been. Ik geloof allemaal vrome mensen, maar paternosters heb ik niet gezien. De meeste bezoekers waren gretig kartonnen dozen met bier in hun auto’s aan het laden. Na even een blik te hebben geworpen op de binnentuin besliste ik dat dit het verste punt van de trip zou zijn.

Terug naar huis

Ik keerde terug naar Florenville, waar ik op een zonnig terras een koffie met een stukje landkaart nam om de verdere rit uit te stippelen.

Met de zon van de partij kon ik alsnog le Tombeau du Géant meenemen – ook de moeite – op de route naar Redu,  het boekendorp. Bon, Redu. Na een tweetal librairies zag ik dat de literatuur het niveau van de gemiddelde kringloopwinkel niet overtrof en ik beter kon genieten van de warmte en de charme van het dorp. Het kwik begon voelbaar te stijgen.

Vanuit Redu naar Dinant leek op de kaart niet zoveel soeps, maar was toch avontuurlijker dan gedacht. Een matig aangegeven wegomlegging bracht me te midden de velden, tot de weg er ophield. Een aarden pad liep verder – mijn eerste offroad-ervaring – maar ook dat stopte na enkele kilometers bij een afgesloten bos. Als er bij mijn terugkeer in de bewoonde wereld nog een andere route barrée met terreurniveau-III-betonblokken verscheen, omwille van een plaatselijke kermis verderop, zat er evenwel niets anders op dan in Lavaux-Sainte-Anne een stuk autostrade te nemen naar de N94, richting Dinant.

Dinant was een drukte van jewelste, overvol. Lopers keerden terug van hun Descente de la Lesse. Aan de overkant van de Maas trok een karavaan Harleys traag en lawaaierig de aandacht. Nergens een deftige parkeerplaats. Voor ik het goed besefte, was ik al uit de stad en zette de finale naar Namen in. Een laatste terrasje op het Theaterplein van Namen.

Mooi

Toen ik een maand geleden vijfhonderdvierendertig – Zuid-België – aanschafte, liet de kassierster ontvallen dat de Ardennen ook mooi konden zijn. Ze insinueerde dat de meest klanten wegenkaarten voor exotischer bestemmingen kwamen halen. Tenminste, zo interpreteerde ik het. Ze kreeg gelijk. Ze zijn mooi.

Van Gent naar Gent, zeshonderdzesennegentig kilometer. Van Plate Taille tot Namen – de bedoelde toer – vierhonderdachttien schitterende kilometers. De eerste trip met de Transalp is een feit.

 

Route Plate Taille – Membre (dag 1)
Route Membre – Namur (dag 2)