Geraardsbergen, stad van mattentaarten en uitgedoofde lucifers

De kilte van chrysanten en grafzerken hangt in de lucht. Het is 1 november en dertien graden. Met mijn motorbroek terug langs binnen gevoerd, rij ik de garage uit. Motorrijders herdenken nu eenmaal de doden in ritten, weinig met bloemen. De herinneringen die zich vormen in een helm reiken zoveel verder dan het louter neerzetten van een bloempot op een steen.

De hele dodencultus rond Allerzielen – 2 november – vindt haar oorsprong in 998, in de abdij van Cluny (Vrankrijk). Laat nu ook Geraardsbergen een voormalige benedictijnenabdij hebben en er is geen betere plaats om op dit tijdstip van het jaar naartoe te rijden.

Ik volg de Oost-Vlaamse Route 66 – de N42 – richting Geraardsbergen, in een accordion van snelheden. Zeventig, negentig, vijftig, zeventig, met trajectcontroles en camera’s. In plaats van een georganiseerde kruistocht langs kerken en abdijen, herdenk ik de dode industrie en rij door naar de oude fabrieksgebouwen van de Union Allumettière, die dateren van 1944. Hier in de Gaverstraat ging in 1998 het licht uit en werd het allerlaatste stekje gefabriceerd, na een traditie van honderddrieënzestig  jaar luciferproductie in de regio. Op de site werkten ooit zestienhonderd mensen. In rusthuis De Populier spreken de mensen er nog over. Geen chrysanten, maar opgeschoten populieren langs de Dender – de basisgrondstof voor de vuurhoutjes – herinneren aan de teloorgang.

Geraardsbergen kende hoogdagen in de lakenindustrie, in het maken van kant, lucifers en sigaren. Vandaag produceren ze er voornamelijk nog mattentaarten. Je zou er de muren van oprijden hoe de maakindustrie een vlucht heeft genomen om hier nimmer terug te keren. Dat doe ik dan ook. Ik rij de Muur op, om daarna even halt te houden bij het Manneken Pis op het marktplein, dat honderdzestig jaar ouder is dan zijn Brusselse vriendje. ’t Is te zeggen, het koperen beeldje staat in het museum en de bronzen replica op de markt dateert van 1985.

Via Smeerebbe-Vloerzegem – wat een naam! – rij ik door Sint-Lievens-Esse naar Sint-Lievens-Houtem. Via de Sint-Lievenskerk in Lederberg keer ik huiswaarts. Sint-Lieven was een zwerfmonnik, die het leven als een pelgrimstocht beschouwde, een beetje zoals motorrijders doen. Het valt mij op hoe volle kerken leeglopen op de terugtocht. Het lijkt wel door Polen rijden op een zondagmorgen.

Op die manier herdenk ik mijn grootmoeder in haar eigen streek. Zij blies dit jaar op vierennegentig haar laatste stekske uit, definitief, om nooit meer te zijn. Ze is er altijd geweest.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.